‘Uit Overijssel.’
Met de fiets?!
‘Haha, nee. We hebben de camper in Huizen staan, bij die haven.’
O ja, en nu lekker rondtoeren?
‘Mijn oma woonde hier vroeger, op de Waterschapslaan.’
Aha. Hoe heette oma?
‘De Koning. Ik heb er vaak gelogeerd.’
En nu?
‘Nu is m’n man binnen vragen waar die laan is.’
En de hond vindt het ook fijn?
‘Heerlijk.’

