Gedicht

Giftige stenen zijn gisteren gevallen

ratelend en later als een ranseling

gestaafd door de mannen in het grijs

van de onschuldige ochtendmist,

weg uit de echovolle ontzettendheid

van het dode, het verpulpte

dat (na de geslaagde steniging)

vannacht nog krampte en kotste

en daar nu stil en oneindig pril

(als blijk van blauwe ongeborenheid)

in alweer de maagdelijke lenteweide

vasthangt aan de wilgen

die zij nooit meer zullen knotten.

 

Ik ben zo’n grijze man

en waardeer het wel

zo’n grootse gruweldood – ook van jou

te mogen overleven.

In de mist gelukkig te zijn.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *