Giftige stenen zijn gisteren gevallen
ratelend en later als een ranseling
gestaafd door de mannen in het grijs
van de onschuldige ochtendmist,
weg uit de echovolle ontzettendheid
van het dode, het verpulpte
dat (na de geslaagde steniging)
vannacht nog krampte en kotste
en daar nu stil en oneindig pril
(als blijk van blauwe ongeborenheid)
in alweer de maagdelijke lenteweide
vasthangt aan de wilgen
die zij nooit meer zullen knotten.
Ik ben zo’n grijze man
en waardeer het wel
zo’n grootse gruweldood – ook van jou
te mogen overleven.
In de mist gelukkig te zijn.
