Gedicht

Het laatste blad in vuren levensrood
dat de dood heftig wenst te wenken
of struis tracht naar elders weg te waaien
parels huilend in de koude regen
prachtig worstelend met de wind
wat laatste aaien van die zonnestraal
waarna het oud en brozig zal verzweven
– de tak oogt dan leeg en zinloos kaal
maar geboren is het nieuwe lenteleven
daaraan gaf de herfst zojuist zijn zegen.

De tijd

De tijd
die hier, als je goed luistert
traag verstomt, verstilt
niet meer duwt of trekt
de tijd die hier altijd al staat
als een zachte handdruk
van de eeuwigheid
de tijd van hier, van toen
van rulle aard en bloemenzaad
die nu neuriet onder de blad en
door het denken van de wind
blijf – het wordt hier toch nooit laat.

Zij zal bloeien …

Zij zal bloeien
zij zal groeien
ondanks de mens
waarvoor het menens is
of nu misschien daardoor
toch ook dankzij – als wens
zonder stikstof CO2
zonder smetstof die verstikt
bloeit zij als droom, als fee
zonder angst en hamstergraai
zal zij groeien tot een boom
schoon natuurlijk fraai
en ongehinderd echt en vrij.

Gedicht: Giraffennek

Zij kan het zich niet meer voor de geest halen

die suizende weg van zachte aanraking

tot ver en lang voorbij de eerste siddering

de woorden die hun lust steeds geiler gretiger

verbogen en de spieren die het heftige vertalen

van bijtende monden krabbende nagels maakten

tot de aaneengeregen orgasmes en het zuchten

dat zich verzwaarde en lostrok tot gegrom

en geklauw, geschok en dat ze dan alles lieten

uiteenspatten, de rug gekromd in een schreeuw

die kwam van diep en ver en eeuwig duurde …

 

… ze kan hem zich niet herinneren

als hij vanachter het dampende theeglas haar

met de lepel in zijn ongeschoren rimpelwang

vragend aankijkt, het moedeloze in bedwang

en uit een vage glimlach zegt ‘bijna vijftig jaar’.

 

Ze weet niet wie hij is, het getal zegt haar niets

hij heeft droeve ogen – ze voelt zich niet bang.

Lang, zegt ze tegen de lucht, een lach maakt zich los

en hij knikt, lacht terug: ‘Ja, lang, erg lang.’

Dan begint ze te stralen. Zomaar opeens weet ze het,

het antwoord op de vraag dat ze in de dierengroep

vanochtend ook van zichzelf niet heeft gehoord.

 

Giraffennek – hij schudt even zijn hoofd als zij

gesteund door een verzorgster zijn leven uit schuifelt.

Om wat, denkt hij als de buitendeur open kreunt

verdomme, verdriet om wat heb ik zo lang meegedragen?