Oog op Blaricum

16 oktober 2017

Gedicht

Filed under: gedicht — Oog op Blaricum @ 10:29

Vanuit de bomen kwam het vuile kwaad
het noodweer was fel maar vergeefs
een laatste regendrup beroerde het gezicht
en toen was het alsof de wind ontdaan
door de waarheid het bos uit woei – weg
naar een sloot die van niets wilde weten en
langs de vogelsnavel die met haar schreeuw
een hoek trok uit het grauwe wolkendek
zodat het ooit gedoofde licht zijn prooi
door kon slepen naar ’t duivelse polderpad.

Niets
kan zeggen wat de harten schreeuwen
van jou, van zovelen – over dit verdriet

niets
maakt het om door te schrijven te zeggen
wat niet anders kan: we krijgen je niet terug.

Maar het zal de wind zijn – overal, altijd –
die uiteindelijk wil herenigen
door fluisterend soms stil van zichzelf
te zeggen: hier – hier is ze
raak me aan, raak haar aan
streel mij terug de wind, hoor haar zingen
hoor en voel het veel oneindiger zij nu is.

7 oktober 2017

Gedicht

Filed under: gedicht — Oog op Blaricum @ 16:14

Op mijn hemelsblauwe houtbureau

waar ik levens lang laat lijden

ook het hare – maar dat terzijde,

waarop ik woordenzoekend leun

soms vermoeid en vloekend steun

vaak de dood laat overwinnen

en evengoed kan laten strijden

met grijnzende gezegdes

over grijzende legendes

en lippen die zich glanzend spreiden

om mijn optatische orgasmes,

 

wint mijn woordwapen altijd van die dood

met fijne wellevendheid en zinnen scherp;

het is mijn medewerkend blauwvoorwerp,

dit jaren terug geërfde Parker vulpotlood.

27 september 2017

Later kwam er …

Filed under: gedicht,natuur — Oog op Blaricum @ 13:24

Later kwam er mooi meer licht
en keken we samen naar de liefde
van de parels voor de bramen;
vertelde jij hoe mooi het was
onder een sluier stil te huilen
en hoe moeilijk het zal zijn
om koud te liggen in een kist
met dan geen traan die
koud en klein zal willen schuilen
en ik alleen – en eenzaam in de mist.

16 september 2017

Gedicht

Filed under: gedicht — Oog op Blaricum @ 13:15

Uit het verre donker bonken
voorbij de lijn des horizons
met de flauwe flits van vonken
streept een spoor van doodwagons.

Vol verstorven ademhalen
losgetrokken van een droom
lig jij zachtjes na te hijgen
naast me in het zomers loom.

Iets kruipt donker naar de kruinen
waaraan het zonnewarm nog tijdloos hangt
een oogwenk voor de aanzet der bazuinen
is daar jouw mond die klein een kus verlangt.

Scheurend spat – te snel om te ontwijken
onze vree in stalen splinters uit elkaar
te laat – de tuin belegd met louter lijken
en te weining waren wij de tijd gewaar.

14 september 2017

Geen gedicht (LOL)

Filed under: fun,gedicht — Oog op Blaricum @ 17:20

9 september 2017

Gedicht

Filed under: gedicht — Oog op Blaricum @ 11:24

Die zomerochtend kwamen de stalen raven,
om welk boek en vanwaar wist geen van ons.
Het oude bos befluisterde hun zachte vlucht
de bladeren bogen voor de matte vleugels
en glinstersnavels sneden hoeken uit de lucht.

Op de droge warme straat speelde een kind,
het was stil, onbemind en had toch een lach
– het danste klein van droom naar droom.
De raven slepen loom hun snavels scherp
aan het takkensteen van de dorpspleinboom.

Met zijn groei begon het kind te klimmen
eerst op de knoesten van een verleden tijd,
later aan de hemelarmen van het ravenvolk.
Maar toen hij ook de klauwen aan kon raken,
dreigden scherpe halen van zo’n snaveldolk.

Het kind werd groots, een sterke man.
Geen raaf ging dood, geen een verdween.
Ze waren daar, stil elk uur en jaar na jaar
de adem van de boom, van het avondrood.
Nooit een van ons voorzag het staalgevaar.

Totdat de man zijn eigen kind – met kleine lach
liet dansen op de warme straat. En schreeuwde
naar het woest dat van de boom losschoot,
wat het staal niet stopte dat voluit raken moest –
en dat het kind kapotsloeg tot een gore dood.

Gelijk een diepe zucht zijn ze weggevlogen,
niemand weet waarheen. Een vlucht van
lang nog staal-geglinster in de middagzon
ver van aller angst, zijn bloed – en de vragen
waarom het onheil hier en zo bij ons begon.

19 augustus 2017

Gedicht (Barçelona)

Filed under: gedicht — Oog op Blaricum @ 15:32

Vallend blad – op een zomerdag!
Laf gestuurde bestelbusdood
nog sneller dan die kinderlach
kleurt tegels langzaam rood.

Hier het geloof, daar hun haat.
Och heer, ze zijn intens verdoofd
door u-misbruikte leugenpraat
die elk van hen het paradijs belooft.

De kruin in bloei, de stam in bloed
een roos zegt zacht hier was geweld.
Een hand wil steun, er trilt een voet
in het stemmenstil dat triest vertelt.

Dan zingt het sterk en waardig rond
– de mens maakt eer en moed gewaar
met handgeklap en dappere mond –
wijk nimmer voor een geloofsbarbaar.

12 augustus 2017

Gedicht

Filed under: gedicht — Oog op Blaricum @ 11:51

Mismoedig leven met rondom
het eeuwenwoud in duisternis
van het wolvenkind jankt
de wanhoop door een boom
die voluit valt uit ouderdom,
maar toch de vraag verzwijgt
noch beantwoordt – waarom
leed altijd komt en vaker niet
vuil grijnzend door het front
maar sluipend stil achterom.

Het is wel kracht die doet leven
voor een zucht; ons blinddoekt
met een tel van geluk, voor even;
maar snel in angst de lijnen krast
rond die droom van waardigheid –
er is geen troost voor het noodlot
van het zware zijn der eindigheid.

26 juli 2017

Gedicht

Filed under: gedicht — Oog op Blaricum @ 09:51

als helaas niet jij maar ik nou
een heel klein beetje dna van jou
in een proper glazen potje stop
het eigen tinnen dekseltje erop
met als etiket m’n lieve vrouw;
daarmee naar het strand toe rij
het potje rondom dus van opzij
van fijne stukjes hout voorzie
het geheel dan loslaat in het vlie
en ’t zeewaarts gaat op het getij;

ik traagjes terugfiets op de dijk
met misschien een geruste kijk
op jouw allerlaatste ademtocht
die vannacht nog zweven mocht –
jij was net weg naar het zielenrijk;
dan pluk ik een roos, een tere lis
een lied zwelt aan vanuit ’t gemis
je was zo groots, je oogt zo mooi
de bloemen schik ik thuis tot tooi
en ik besef dat er geen jij meer is.

22 juni 2017

Gedicht

Filed under: gedicht — Oog op Blaricum @ 11:16

Wie koestert toch
de goede bedoeling
van de dode weldoener?

Wie voelt het weer
in de warme zomernacht
van 20 juli 1951, vrijdag?

Wie zet alsnog de toon
voor de dragende echo
van de stille stemmer?

Wie onttrekt de beleving
aan het vanzelfsprekende
vergeten door het zwijgen?

En wie begrijpt het niet
maar is de tijdelijke
sleutel naar de eeuwigheid?

13 juni 2017

Gedicht

Filed under: gedicht — Oog op Blaricum @ 12:33

Geen band, totaal geen signaal
en toch plots contact met God
via de glimhoofd-dominee
die door een zuiver afstandsschot
uit een duivelsdrone vermoord
kalmpjes tegen het asfalt glee –
zwijgend deinsde Binky terug.

Er was geen allerlaatste woord
ofschoon – het nieuws ging snel
die dode is Gods tweede zoon
nu zeer deftig – hij lijkt tevree
daar rustig liggend op zijn rug
zijn ronde hoofd – zo heel gewoon,
maar goed kijkend wist je het wel.

Het was een laffe levensroof
om gebeden die verraden bleken.
Binky’s blaf begon met dunne toon
verbaasd om het dode levensteken.
Weinig nader is mij nu het geloof,
wel soms signaal; een enkele maal
ga ik bij hem langs – hallo Vader.

9 juni 2017

Gedicht

Filed under: gedicht — Oog op Blaricum @ 09:14

Loop toch lichtvoetig, lul!
schreeuwde de sergeant
stop ’t stomme stampen!
Hij was bepaald geen bul
doch kende alle rampen – en wist
het zit niet in de veldslag
maar vuil en vol pijn
is de tocht weer terug
naar ’t einde van de vechtdag.
Geen bus die roestig rijdt,
in elke berm een mijn
en ’n koepaard met drie benen
kraaien op de korstbedekte rug
twee achterhoeven kapotgepist
kan je beter laten staan.

Als een slang die ter prooi glijdt
ziet hij z’n mannen verdergaan
langs de kooi van de ballerina
met tot stompen afgeslagen benen
die voor de elite van Palestina
hoereerde in het wilde Wenen
en nu in ’t licht van de spots
wuivend naar de mannen lacht.
Die voelen daardoor toch weer trots
en kracht om verder te marcheren
genoeg om nog één tel soldaat te zijn
tot de danseressenhand koel beslist
het hele peleton laat exploderen
door iets veel sterkers dan een mijn
en elke voet allicht is weggewist.

1 juni 2017

Filed under: gedicht — Oog op Blaricum @ 18:50

God lachte en dacht
niks geen gerib
nog voor de nacht
stuur ik een godin naar
hem daar benee
maar door een astrale slip
was ’t slechts wat engelenhaar
dat wolkerig aardwaarts glee.

31 mei 2017

Gedicht

Filed under: gedicht — Oog op Blaricum @ 09:56

De laatste hond van Roberto
bedreven jager op fazanten
is vanochtend uitgetreden –
door de bus die ruim vertraagd
te snel het dorp was ingereden.
De chauffeur is doodgeslagen
zijn bus brandend het ravijn
voorbij de uitgeputte kolenmijn
ingeduwd. De hond weggedragen.
De klok zuchtte sombere uren,
dof – als bloed dat traag nog drupt,
of een oude mond die vaag
iets zegt op wat is gevraagd.

Roberto stond daar in zijn treurig lot
op het plein – alleen, want iedereen
verschool zich voor zijn geweer
waarvan de loop niet doelloos zwaaide
maar in zijn handen het verweer
voor het gebeurde schreef, afgesloten
met een enkel schot.
De klok zwijgt. Terug van het graf
wordt het lijk van de rijder zonder eer
afgevoerd, net zoals de doders en
de duwers – op weg naar hun straf.

Het plein is aangeveegd, met stoom
en bleek verdween het bloed.
De klok slaat zes, die avond is er nog
een keer fazant, de dorpelingendroom
van geluk en wijn en geen verlangen.
Geen hond die blaft.
Geen blad dat naar de nacht toe valt.

14 mei 2017

Gedicht

Filed under: gedicht — Oog op Blaricum @ 14:30

Als de vinger van het verlichte huis
gelijk een zomerdag het duin bestrijkt
staat zij doodstil in het schelpengruis
verblind door wat haar ongezien bereikt.

Hij is de nacht die zwijgend draait
om de aarde als een zilveren god
die in een flits zijn sterren zaait
zij gilt maar hoort niet eens het schot.

De dunne wind schuift schraal naar noord
een meeuw doorstreept de lege lucht
ziet scherp het dode van de andere soort
en vleugelt verder op zijn eigen vlucht.

Next Page »

Powered by WordPress.com.

%d bloggers liken dit: