We zijn bang …

We zijn bang
voor waar we gaan, wat er komt
waar anderen blijven
die we niet meer kunnen kussen.

We willen terug en anders
en opnieuw en dan beter
terwijl we het zelf daardoor
grijzer en zwaarder maken …

 

… Totdat we het begrijpen –
of het op de wind is of bij de dood
dat er licht ook voor ons is
en dat verdergaan het beste is.

Gedicht

The old foul bitches grabbed the power

that turned out to be rotten meat

of aborted babies, tortured hope

and lost birds that fell out of the sky

killed by the one curse and the other lie.

 

So now slothfully on that thrones of mistreat

they grimly overlook their supposed empire

that appears from the bottom against each hill

filled with foamy stinking self-eating mouls

and the sound and smell of coping slime.

 

They don’t see the nothingness they reign

the destruction they mindless gave birth to

they think they did well – no regrets and still

none of their senses notice the sword behind

that will shred them to shit of the same kind.

Gedicht

Natuurlijk ben ik blij

dat je kip weer naar buiten mag

eendrachtig jullie ophokplicht volbracht.

Vervelend dat er dan heel mediterraan

een serieuze straaljager crasht en daardoor

heimwee door de broze Belgenlinie vlamt

– maar ja, wie voorzag deze diametraal

in de warmte van het Dionne Stax-journaal?

Net zo goed als die stijve Chinese eierleiders

die voor ons kalfsvlees hartelijk zijn ontdooierd

naast onze premierachtige – of veel liever zelfs.

Natuurlijker dan Herr Ross, of ‘de nieuwe jongen’

waarvan zelfs je kip net voldoende weer geneest

– hadden ze niet iets sterkers? Iets Syrischers?

 

Uiteindelijk komt het allemaal bloesemend rond

met hier een dode baby op het balkon, een kraker

aan het kruis en daar de Dom vijf jaar in de steigers.

Je ziet de lijn toch ook – dat snoer van metaforen:

het is de tijd die zwijgt en ritmisch rijgt en daarna

trekt en striemt en smoort tot verbazing berusting

en dan die zweem van avondmist vol oud verlangen

naar dat lege strand, met alleen jouw naakt, bezweet

en je ogen die de smalle voetstappen volgen

tot in de lome branding die steeds maar weer breed

tandenloos en mummelend de zee omslaat.