Ook van Rueter

Kenmerken: eenvoud, harmonie en doelmatigheid. Zijn leven lang zou Theo Rueter vasthouden aan een ambachtelijke bouwwijze, traditionele materialen en harmonie tussen architectuur en de omringende natuur. Daarbij liet hij zich beïnvloeden door de traditionele landelijke architectuur, die hij uit het Gooi kende, maar ook zoals hij die op zijn vele reizen tegenkwam, onder meer in het Verre Oosten. Als architect had Rueter het tij mee. Het Gooi ontwikkelde zich tot forensenregio er er ontstond een markt voor een nieuw type woning, kleiner dan het traditionele negentiende-eeuwse landhuis, maar tegemoetkomend aan eigentijdse eisen van comfort, licht, lucht en ruimte. Ook het Oog-huis is getekend (1935) door Rueter.

Fluwelen superlullige einde

Wie bijvoorbeeld de armada van Blushing- en Bierweg-bakfietsmamsjes naar en van school ziet gaan, hoort in al het begeleidende gekwaak en gekwetter (al dan niet in of uit mobieltjes) dat één woord veelvuldig wordt gebruikt. De ene keer als op zichzelf staand bijwoord, dan weer gekoppeld aan andere bijwoorden. Het gaat hier om super, en om superleuk, supergoed, superlief, supermooi. Enz., enz. Met als chique variant een zinderende s en een lang aangehouden u – sssuuuuuper! – afgesloten met een op de hoofdstedelijke grachtengordel aangeleerde en op Ibiza of Ameland geperfectioneerde Gooise r. Je wilt geschikt zijn voor de import – of je wilt het niet, hè?

Het grappige is dat dit verbale lemmingengedrag door de gebruiksters vooral wordt gezien als bewijs van meetellen, van deze tijd zijn, ertoe doen. Superbelangrijk zijn. Modewoord? Ja, natuurlijk! We zijn immers (nog) erg in de mode, (hopelijk) erg up to date, erg … super! Vaak dus zijn het superego’tjes van onmetelijke omvang.

Wat de lieve snoetjes niet weten is dat super in feite een mager plebejersaftreksel is van een bewonderende krachtterm en taalkundige diamant uit de jaren zestig. Ja, 1966 en die omgeving. Toen vond men iets (dat goed of indrukwekkend was) niet simpel super, maar ‘het fluwelen superlullige einde‘.

Kijk, dát was tenminste een uitdrukking met eigenheid. Het hedendaagse super is daarnaast niet alleen dus een atrofisch kreetje (waarmee vroeger een orgasme werd gedegradeerd tot de hoestbui van een krekeltje), maar ook een potentiële bron van verwarring. Knapsnoetje komt met haar dikbillige glansmobiel aan de pomp, de pompbediende meldt zich bij haar half geopende raampje (ze kan natuurlijk niet zelf tanken) en zegt ‘Zal ik u volgooien?’ Het ondeugende ervan zal haar wel ontgaan en ze antwoordt blond en blij: ‘Ja, super!’ En als hij er dat dan (niet hem …) ingooit, terwijl ze diesel rijdt …

Enfin, onderstaand wat bewijs uit de Hitweek van september 1966. Let ook even op de prijs van die toen uiterst urgente periodiek.