Zij kan het zich niet meer voor de geest halen
die suizende weg van zachte aanraking
tot ver en lang voorbij de eerste siddering
de woorden die hun lust steeds geiler gretiger
verbogen en de spieren die het heftige vertalen
van bijtende monden krabbende nagels maakten
tot de aaneengeregen orgasmes en het zuchten
dat zich verzwaarde en lostrok tot gegrom
en geklauw, geschok en dat ze dan alles lieten
uiteenspatten, de rug gekromd in een schreeuw
die kwam van diep en ver en eeuwig duurde …
… ze kan hem zich niet herinneren
als hij vanachter het dampende theeglas haar
met de lepel in zijn ongeschoren rimpelwang
vragend aankijkt, het moedeloze in bedwang
en uit een vage glimlach zegt ‘bijna vijftig jaar’.
Ze weet niet wie hij is, het getal zegt haar niets
hij heeft droeve ogen – ze voelt zich niet bang.
Lang, zegt ze tegen de lucht, een lach maakt zich los
en hij knikt, lacht terug: ‘Ja, lang, erg lang.’
Dan begint ze te stralen. Zomaar opeens weet ze het,
het antwoord op de vraag dat ze in de dierengroep
vanochtend ook van zichzelf niet heeft gehoord.
Giraffennek – hij schudt even zijn hoofd als zij
gesteund door een verzorgster zijn leven uit schuifelt.
Om wat, denkt hij als de buitendeur open kreunt
verdomme, verdriet om wat heb ik zo lang meegedragen?
