ach och jij eng
long toch van een loom verleden
waar immer nog het graantje groeit
en paardenvoeten aarde treden
ach zo mijn eng
waar zomers zonnen stralen smeden
en poot en pluk verlijmd met bijenzoem
vannacht nog kollen langs de voren gleden
ach kijk die scheve sneeuw
die zonnehand tot drup wil kneden
zodat het zaad kan gaan naar kleur en geur
’t bestaan zich toont met bloei en rede
ach steeds nog mooie eng
rustruit uit het paradijs versneden
volle leegte die veelzeggend is:
zo oogt in mensenhaast de vrede
waarom dat tandenloos gekrijs
uit de bekken van die zes partijen
geveeg met knots en botte woordenzeis
waarom die enge zeteldwingelandijen?
politici:
schaart u allen rond de schone eng
en zeg wat menigeen wil horen:
dit dorp vol oud en nieuw en sterk en broos
is eeuwig-eindelijk in eenheid hergeboren.

