Gedicht

Die zomerochtend kwamen de stalen raven,
om welk boek en vanwaar wist geen van ons.
Het oude bos befluisterde hun zachte vlucht
de bladeren bogen voor de matte vleugels
en glinstersnavels sneden hoeken uit de lucht.

Op de droge warme straat speelde een kind,
het was stil, onbemind en had toch een lach
– het danste klein van droom naar droom.
De raven slepen loom hun snavels scherp
aan het takkensteen van de dorpspleinboom.

Met zijn groei begon het kind te klimmen
eerst op de knoesten van een verleden tijd,
later aan de hemelarmen van het ravenvolk.
Maar toen hij ook de klauwen aan kon raken,
dreigden scherpe halen van zo’n snaveldolk.

Het kind werd groots, een sterke man.
Geen raaf ging dood, geen een verdween.
Ze waren daar, stil elk uur en jaar na jaar
de adem van de boom, van het avondrood.
Nooit een van ons voorzag het staalgevaar.

Totdat de man zijn eigen kind – met kleine lach
liet dansen op de warme straat. En schreeuwde
naar het woest dat van de boom losschoot,
wat het staal niet stopte dat voluit raken moest –
en dat het kind kapotsloeg tot een gore dood.

Gelijk een diepe zucht zijn ze weggevlogen,
niemand weet waarheen. Een vlucht van
lang nog staal-geglinster in de middagzon
ver van aller angst, zijn bloed – en de vragen
waarom het onheil hier en zo bij ons begon.

Een gedachte over “Gedicht

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *