Van de bomen behangen nog
met wilde dromen uit de zomer
met kleine schreeuwen over
voorbije tijden en de herfst
die het raggelzwarte van de
nieuwe dood te somber vindt;
die bomen die onze gedachten
ademen maar niet begrijpen
– en wijzelf die, als we kijken
denken dat we alles weten
waarom zo’n kroon verschiet
maar niet weten wat sterven is;
die bomen komen sterk weerom
groen dan, fris en soepel jong
met een allengs verzwarende
schaduwstem waarin uw angst
om verloren zinnen rondwaart
als blad dat onherroepelijk valt.

