Gedicht

Met domheid doortrokken ogen
de mond vol meel en tongen die
gelijk Judas en Jakobus heersen,
als adelaars die feiten moorden
in bizarre uniforme onnozelheid.

Handen tot gestompte klauwen
gestoken in verraderlijk fluweel;
de oren die naar anderen hangen
voeten vergiftigd in het hoofdveld
en blauw gekalkt het schedeldak.

Vol vileine verbindingen zijn zij
gehuld in die vale huid van recht
het misbruik stulpt uit alle gaten.
Vernederd is ‘t stemmend vee dat
elke week weer meer vervreemdt.

Dat de domheid zo kan doorregeren,
zo verdoemd beschadigend blijft zijn.
Doe me één reden God, eentje maar
waarom ik hier niet mag verbrijzelen
uit naam van de Vierde Korenbloem.

Een gedachte over “Gedicht

Laat een reactie achter op Ingrid Wiegers Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *