Dwalend door de mestvaalt van mijn denken
lege kamers, holle zalen, dode haard
verrotte ramen die het zonlicht buigen
van de plek waar de tijd mijn ziel bewaart,
zie ik op de balken grauwe vuile uilen
volgevreten kennis uit mijn vervallen staat.
Wat rest en rent zijn vale hagedissen
de dood die wenkt in hagelwit gewaad.
Vier doktoren stormen dronken binnen
grijpen naar het poeder voor mijn levenseind
voltooien mag, maar zonder orgaan te vervuilen,
zonder dat het andermans levenskans verkleint.
De staat bepaalt het liefst wanneer te overlijden
getreden wordt mijn recht op stoppenwens;
de dood is handel voor de politieke beesten
mijn lijf in hergebruik – ik sterf tot doorleefmens.

Mooi!
LikeLike
Briljant gedicht. Ontroerend, zuiver en kwetsbaar. Recht in de ziel. Zeldzame parel.
LikeLike