Wat zijn jullie aan het doen?
‘Ons plekje afplakken voor morgen, voor de markt hier.’
Wat gaan jullie verkopen?
‘Armbandjes en sieraden. En sieraadpotjes.’
En hoe laat zijn jullie er morgen?
‘Kwart voor zes, of zes uur. Niet later, want dan wordt het plekje ingepikt.’
Kunnen jullie wel slapen vannacht?
‘Haha, we gaan bij elkaar logeren. Dus we moeten wel goed slapen, ja. Anders zijn we …eh …’
Brak?
‘Ja, dat! Maar komt goed.’

