Over het (on)nut van leilindes

Van die foute tuinen. Pandje gekocht, pandje gesloopt, tuin die sinds mensenheugenis een eredienst voor de natuur was, kaalgeslagen. De perceelranden worden dan belegd met betonranden, rond de veel grotere bebouwing wordt witte kiezel uitgestort, de terrassen zijn van duurzaam teak waarin je de hedendaagse slavernij nog hoort kreunen en qua bomen komen er vooral veel cypressen, platanen, palmen en ander spul dat de subtropische suggestie van het zorgeloze graai- en naaileven hoog moet houden. En dan als een soort gimmick wordt er ook nog een rijtje leilindes geplant, voor de gezellig-leuke agrarisch-karakteristieke tuinarchitecten-touch. Doorgaans op het zonloze noordwesten, noorden of noordoosten.

Waarmee die leilindes een vlag op een modderschuit zijn, getakte synoniem van ‘hier wonen modieuze sufbollen’. Want leilindes zijn, mits de takken zorgvuldig geleid (!) tot een verticaal vlak op circa 3 meter boven de grond evenwijdig aan de zuid(west)gevel, in de zomer met hun bebladerde armen natuurlijke zonnenschermen. In veel van die vage smaakarme, baarmoederloze designtuinen zijn leilindes de onnut zelve.

Het gaat derhalve om een biologisch-historische functionaliteit. Net zoals de hulsthagen (tegen ongedierte, daarom moeten ze juist niet hoog zijn, maar wel tot op de grond toe doorgroeien), het dicht bij elkaar staan van huizen (isolering), populieren tegen blikseminslag en de voerakkers.
Leilindes als een soort Blaricums element in de trendy tijdschrifttuin (uitgesproken als luylèndès) is een braakvorm van detonerend cultuuruithollend onbegrip.
Dorpsstraat, exact zoals het moet.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *