‘Dank je schat, lebberlebber. Lekker, lebber. Fijn dat jij voor ons 10 minuten in de rij hebt willen staan. Lebbersmek.’
‘Graag gedaan, hoor. Was het maar 10 minuten? Volgens mij – lekkerlebbersmek – waren het er zeker 15. Nou goed, wat een eikel trouwens, zeg.’
‘Lebberlebbieslurp, wie bedoel je, schatsmek?’
‘Die daar met die camera. Weet je smeksmaklebberlek waddie zei?’
‘Nou schat? Likkalekkasmiksmak, wat dan?’
‘Hier parkeren zonder kaart is een mooie foto waard.’
‘Jee, wat een eikel, ja. Smekhoestkuche. We staan hier maar even 10 kleine minuutjes of zo. Wat een lekkellebbelkuchsmiksmek snikkel eh… eikel, zeg. En waar bemoeit ‘ie zich mee?”
‘Weet ik veel. Hij zei iets over verantwoord burgerschap, of zo.
Trouwens, staat je smiklikkellik goed, die zonnebril. Pradaatje?’
‘Neehee, nieuwste modelletje van de snifsnufhoestkuch Holleeder-lijn. Cool, wat?’
‘Kontkoelgaaf, smiksnifstufhoestslebber. Dát zou die eikel moeten fotograferen.’
‘Ja, slubblubgut. Hola, komt daar plisie aan? Let’s move.’
‘Ja, let’s go. Een ijsje in de auto hoef toch nie handsfree?’
‘Hmmm, slibslubslopslaplikleklebberlubber kweenie. Kut, ik mors.’

