De nachtfant (2)

Hoeiroei, hij was weer flink bezig op z’n skateboard! Trap op ging nog wat moeilijk, maar naar beneden en dan met een 360-flip net niet tegen het koffie- en theezetapparaat van Sven aanknallen – het bleef vet coolkicken voor de nachtfant.

Hoewel: soms had hij het gevoel dat hij te beperkt bezig was, dat zijn grenzen heel ergens anders lagen. Dat hij als het ware wat verder moest kijken dan zijn neus en staartje samen lang waren. Soms zelfs dacht de fant dat hij ’s nachts moest inhalen wat hij overdag te weinig was. Dat vond hij wel een moeilijke gedachte – eigenlijk kon hij daar niets mee. Alsof ‘ie een knoop in zijn slurf had. Maar als hij zichzelf in de zwartglimmende etalageruit een pirouette zag draaien zonder ook maar iets te raken en direct daarop een wheely maakte naar het andere eind van de studio, dan was hij toch weer erg blij met zichzelf. En hij was niet zo van de inzichten, die zouden later wel komen.

Maar gisternacht is er toch wel wat bijzonders gebeurd. De nachtfant draaide een beetje lusteloos z’n rondjes, had net een paar keer de trap gedaan en bleef opeens stokstijf staan. Dat ‘ie daar niet eerder aan had gedacht! De sleutel van de voordeur, in het geheime laadje van Sven! Daar kon ‘ie best wel wat mee… Met bonzend hart en z’n staartje nog wilder zwiepdraaiend dan de poeppropellor van een nijlpaard die zwaar getafeld heeft, rolde hij langzaam met een van de spanning stijf staand slurfje naar het muurtje en het kastje met het deurtje en daarachter het luikje en daaronder het laadje en daarin …. – de sleutel!

De nachtfant begreep opeens een heleboel meer. Hij kon nu naar buiten gaan, de wereld in. Hij kon, terwijl alles en iedereen lag te slapen en de stoepen zonder voetgangers, fietstastypes of SUV’s waren, de straten leeg en er natuurlijk nergens een agent was te bekennen – hij kon door de grenzen van de kunststoffen olifant heenbreken en lekker in de wijde wereld gaan skateboarden. De sleutel lag al in het knikhoekeindje van zijn slurf en de nachtfant reed vol verlangen en met niet geheel begrepen ontwikkelingsdrift op de voordeur aan die al eeuwen gekscheef in de voorpui staat. Hij was zo opgewonden dat hij er bijna doorheen ramde, maar gelukkig kon hij net op tijd remmen.

Even later stond hij buiten. Donker was het, de restaurants aan de overkant waren al lang leeg en verlaten, er was geen verkeer, geen wind die waarschuwingen of leugens fluisterde, een kleine maan hing gelig tussen een handjevol sterren. Hij stepte even en vloog weldra langs de bank, de supermarkt, klein bochtje naar de ijssalon, cirkelde met opgetrokken slurf rond een hondendrol en weer terug. Niemand te zien en hij had het gelukzalige gevoel dat mensen wellicht hebben na een geslaagde wereldreis zonder veel diarree, berovingen, jaloerse partners en de bekende besmettingen.

Hoeiroei, nog een keer, dacht de nachtfant, nóg een keer. Grenzen verleggen, van de wereld ontdekken dat die groter is dan een stukje Blaricums gras met foute rotsklonters en …. – en toen begonnen er opeens dingen te veranderen. Te bewegen, geluiden te maken, geuren af te geven. Maar anders dan overdag. Toen bleek Thea van de Langeweg ’s nachts een goedmoedige berin te zijn die op haar dak gezeten aan engelen met een schorre keel honing geeft. Toen zag de nachtfant Budje op een ongezadeld paard met gloeiende voorbenen en vlammenspuitende achterhoeven hemelwaarts gaan, om zoals Thea bromde, de bestellingen voor het volgende onweer op te halen. Toen zag hij Loets van Bellevue in een slank afkledend batmanpakje boven de studio van Bolland en Bolland het sterrenverkeer regelen en hij zag Wimmie Hu van ‘ooit de chinees’ in een doorzichtig en kort nachtjaponnetje bezig de nachtlucht vol te hangen met rode zonnen en blauwe maandagschijven. Slurftrillend was dat! Hij hoorde Cees Rinkel van de pianowinkel nu eindelijk zonder aarzeling of atonaliteit de pianosonate nr. 28 van Beethoven spelen en hij zag de nachtburgemeesteres van de Bel in een fijn strak pakje in een geleende sloep voorbijkomen en vriendelijk naar hem wenkwuiven.

En hij zag nog veel meer verschijningen waarin hij – soms vaag en niet direct en bij anderen heel erg wel snel en zonder enige twijfel – mensen herkende die overdag druk en haastig of geïrriteerd en asociaal of overdreven en onecht of strakserieus of raar aan hem voorbijschoten en die nu de eenvoud en aardigheid zelve leken en nu wél zinvolle of vrolijkmakende tijdsbestedingen hadden. Er was geen angst en vermoeidheid, geen pijn, geen verdriet, geen aversie, geen rancune of dwang, geen zurigheid, geen lokaal sarcasme noch zelfspot in gebroken spiegels. Waar de nachtfant zich in bevond was een gedroomde wereld die de echte was geworden. Hij begreep er nog even niets van, maar vond het wel een leuk gedoe, zo. Leuker in ieder geval dan overdag – en echter.

Na nog een paar rondjes te hebben gedraaid en ook even de stoep naar de ijzerhandel te hebben gedaan en rond de bank van Pietje vol nicotineloze gezelligerds een weergaloze slurfshuffle te hebben gemaakt, rolde de nachtfant terug naar de studio en naar binnen, liet de opeens weer lege en doodstille buitenwereld achter zich, deed de deur op slot en ging een beetje nahijgerig staan nadenken. Zwiepje, deed z’n staart.
Wat moest hij hier nou van vinden? Had hij nou gedroomd of niet? Echt of onecht, dat was de kwestie. Weldra kwam daar weer die moeilijke gedachte omhoog: dat hij ’s nachts moest inhalen wat hij overdag te weinig was. Wat moest hij daar nou toch in hemelsnaam mee? Het was al bijna vijf uur, het daglicht begon te gloren, als hij zich niet vergiste hoorde hij ergens een haan kraaien. Hij keek even naar buiten om te zien of daar zo’n kukel rondstapte, maar zag vooral zichzelf in de etalageruit en … voelde plotseling dat hij het grote inzicht kreeg. Toen de nachtfant zomaar patsboem gewaar werd dat links eigenlijks rechts is, dat licht alleen kan bestaan omdat er donker is en geluid niets anders is dan een tekort aan stilte – toen begreep hij wat hij even te voren buiten had beleefd en wat hij nu kon begrijpen.

Nu zag hij in dat hij ’s nachts helemaal niet moest inhalen wat hij overdag te weinig was, hij begreep nu dat de mens alleen ’s nachts zichzelf was en overdag veel te veel iets anders. De nachtfant begreep dat, terwijl al die mensen overdag over hem dachten dat daar een onechte olifant stond, in feite zijzelf zo onecht waren als wat. Eigenlijk was híj overdag zichzelf en waren het de mensen die van een grijze kunststof waren en die door zichzelf of duurbetaalde inhuurkrachten en allerlei hulpmiddelen waren opgetuigd tot zogenaamde echte, mooie, succesvolle mensen.

De nachtfant begreep het. Inzicht was een mooi ding. En hij was ervan overtuigd dat Erik Gutter nu ook wel zou weten hoe hij hem zou gaan decoreren. Met de glimlach achter zijn inmiddels weer slapslurf viel de nachtfant gelukkiger dan ooit in slaap.

Een gedachte over “De nachtfant (2)

Geef een reactie