De nachtfant (3)


“Natuurlijk. Natúúrlijk!” Inmiddels had hij aan de AUvN (AvondUniversiteit voor Nachtfanten) cum laude zijn FSB gehaald (Fant Skatebewijs), dus als een Olympische schaatskampioen(e) krinkeleerde hij door het dorpse duister. De nachtfant schoot voorbij de kunsthandel, linksaf langs de bloemenwinkel en de grijspruikkapper op de hoek met die leuke meiden, slalomde tussen de paardenvijgen door die op het fietspad achter Rémy en Kruidvat lagen en waar je, zo had hij opgevangen, maar beter niets van kon zeggen tenzij je als Joes Kloppert de Tweede wilde eindigen en sjeesde voorbij de herenkapper – die ’s nachts verkloonde tot Gordon I, II en III en die dan triotriangelles gaven aan losgeslagen halfblootgoden uit andere melkwegstelsels – en toen fluks terug naar de studio. Daar zelfbeaamde hij zich in de spiegelende ruiten nog maar eens uitdrukkelijk met de slurf stijfs gestaafd. “Natuurlijk. Dit is een heel goed idee. Zó moest Erik hem beslist gaan decoren.”

Hij stond binnen snuifelend na te hijgen, z’n staartje zwiepte zo nu en dan heen en weer als teken dat hij nog even flink aan het na-nadenken was. Terwijl buiten bij de muziektent een groepje jongeren met witte petjes een lief slaapliedje zong voor de ingedutte geraniumkindertjes en vervolgens op hun helemaal niet zo lange teentjes wegslopen om zelf ook zoetjes met een glaasje warme melk naar hun ledikantjes te gaan, zag de fant weer die enorm geweldige gedachte van een paar nachten geleden aan komen schuiven. Hoe ging die ook alweer? O ja, scherp en duidelijk kwam het beeld nu tot hem. Het werd hem kloek gewaar.

’s Nachts waren de mensen wel zichzelf, maar overdag niet. O ja. En omdat ze ’s nachts dachten dat ze sliepen en overdag dachten dat ze wakker waren en zichzelf meenden te zijn, hadden de mensen een volkomen verkeerd beeld van zichzelf en de wereld en alleen hij de nachtfant was eigenlijk altijd zichzelf. Misschien gold dat ook wel voor zijn fantgenoten elders en was dát de reden dat de mens hen zo bedreigde en decimeerde. Godver, zei de nachtfant tegen zichzelf en voelde een traan langs zijn nu weer slappe snuifslurf sleepdruppen. Godver.

Even sniksnuffen en toen kwam daar opeens dat nieuwe geniale decoratiedenksel overheen. Erik zou aan al die onechte mensen met hun glimglanzende hulpattributen en hun opgeblazen prutselmeningen een kleurige kleinkopfoto moeten vragen en die zou hij allemaal op hem moeten plakken. Dan zou hij – nee, niet Erik maar hij de nachtfant – voor alle mensen die naar hem keken en die dus dachten dat hij niet echt was en zij wel, een soort spiegel worden. Ze zouden zichzelf zien in de vorm van een olifant die elders op de wereld werd bedreigd. Door hun semi-reflectie zou er misschien een grotere overlevingskans komen. Zo zat dat in elkaar, dacht de nachtfant. Maar let op lieflezer, let op…!

De nachtfant rolde met een tussentijdse Sjoukje Dijkstra-pirouette naar de spiegel achterin en keek even goed of hij echt wel zichzelf was en of het echt wel zijn kop was waarin dit geniale idee rondloeide. Heel voorzichtig raakte hij met zijn slurf zijn eh… slurf aan, voelde de koele spiegel aan z’n endje prikkelen en moest pardoes flink piesen eh… niezen. Gossie, schrok de nachtfant, ik zal toch geen Mexicaanse griep hebben? Maar nee, zo wist hij direct daarop heel zeker, neenee – dat was niet het geval. Was ‘ie toch bijna meegesleept in die mensenhysterie waardoor al zo vaak het onechte en kleine overdreven schijngroot was gemaakt en het werkelijke grote of grootse niet begrepen of vol angst was weggestopt als onbelangrijk. Als omvangrijk verschijnsel op een Blaricums grasveldje wist hij daar inmiddels alles van. Want wat hij onderdehand met die grote oren had opgevangen… – dat loog er niet om.

Terwijl alweer veel later een knorrige krantenjongen met zijn knalpotloze brommer een scherpe en te vroege grens trok tussen het nachtzuiver en de onvermijdelijke ochtendkrieksels, begon de slaap beetje bij beetje tegen de nachtfant op te kruipen. Vaag begonnen dromen aan te komen dat hij een kermisattractie was, dat hij ’s nachts beheerder was van een draaimolen, dat hij suikerspinnen met zijn slurf kon draaien en met zijn staart de kop van jut naar de maan kon zwiepen. Hij droomde dat hij kampioen dorpsmeiden zoenen was, snurkte wat, een rode veeg begon de sterrenhemel in het Oosten op te kleuren, een donkere auto met gemaskerde mannen reed stapvoets voorbij, ergens klonk een verdwaalde toon uit de zeventiende prelude van Chopin en boven de engen dansten engelen op gympen en egels met rubberen dopjes.

Hij schrok bonkhartig wakker – het leek wel of hij een schuldgevoel had. Het geniale idee was niet goed, schoot door hem heen, niet goed genoeg. Het moest anders. En de nachtfant wist direct hoe. Al die mensen op die pasfoto’s moesten niet naar zichzelf kijken, maar naar hem! Erik moest ze niet met die grijzige achterkant op hem plakken, maar met de kant waarop ze stonden afgebeeld. Dat zou veel indrukwekkender en veelzeggender zijn. Dan zouden ze niet naar zichzelf kijken – wat ze eigenlijk al veel te vaak en te lang hadden gedaan – maar door naar hem te kijken zou er een dofmatgrijze olifant ontstaan – en ook blijven bestaan. En dat was toch precies de bedoeling van de Elephant Parade?!

De nachtfant liet er eentje blazen zoals hij het nog nooit had laten waaien en wist daardoor dat het goed was. Spontaan schoot hij met skateboard en al van de voorkant naar de achterkant – van de winkel – en kwam weer bij de spiegel uit. Die hing door die plotselinge flinkfantse luchtvlucht nu wel een beetje scheef, maar toch kon de nachtfant zichzelf heel goed zien. “Ja”, zei hij tegen zichzelf, “ik zie mij, maar vooral zíj moeten me zien. Wie wordt gezien, blijft bestaan. Ikea. Nee, ik bedoel eureka. Of zou het achmea zijn? Nou, hoe dan ook: het moet zijn zoals ik het denk. Ik word gezien, dus ik besta. Fortuyn of Descartes, een van de twee zal het wel wezen.”

Hij rolde langzaam terug naar de voorkant van de studio en voelde de slaap nu onverbiddelijk als woestijnhitte omhoog kruipen. Met nog maar een oog half open zag hij hem met dat fototoestel langsfietsen, hij deed even een staartzwiepje als groet en zonk weg in de heerlijke slaap der gelukkige nachtfanten.

Geef een reactie