haar lach ligt stil, een koud gezicht
de ziel versprong van lijn
ze zweeft uit engen naar het licht
Hij neemt en laat haar niet meer zijn
tranen aan de leie linden
de ramp ligt doodstil in de straat
haar witte goud dat ooit verblindde
herinnering die spraakloos praat
schrik groeit uit tot groot verdriet
schouder schokt en handen zoeken
naar een duiding – maar die is er niet
droefheid trekt verbeten vloeken
het ijle feit brengt bitter weten
de geest steunt op een trage snik
even is het leven niet in tijd te meten
verbijsterd vastgezet aan dát ogenblik
maar als de toekomst werkelijk bestaat
uit kracht en haar volbrachte werken
dan zal ze stralend elke dageraad
haar liefde aan ’t leven laten merken.

