Gedicht

als helaas niet jij maar ik nou
een heel klein beetje dna van jou
in een proper glazen potje stop
het eigen tinnen dekseltje erop
met als etiket m’n lieve vrouw;
daarmee naar het strand toe rij
het potje rondom dus van opzij
van fijne stukjes hout voorzie
het geheel dan loslaat in het vlie
en ’t zeewaarts gaat op het getij;

ik traagjes terugfiets op de dijk
met misschien een geruste kijk
op jouw allerlaatste ademtocht
die vannacht nog zweven mocht –
jij was net weg naar het zielenrijk;
dan pluk ik een roos, een tere lis
een lied zwelt aan vanuit ’t gemis
je was zo groots, je oogt zo mooi
de bloemen schik ik thuis tot tooi
en ik besef dat er geen jij meer is.

Gedicht

Wie koestert toch
de goede bedoeling
van de dode weldoener?

Wie voelt het weer
in de warme zomernacht
van 20 juli 1951, vrijdag?

Wie zet alsnog de toon
voor de dragende echo
van de stille stemmer?

Wie onttrekt de beleving
aan het vanzelfsprekende
vergeten door het zwijgen?

En wie begrijpt het niet
maar is de tijdelijke
sleutel naar de eeuwigheid?

Gedicht

Geen band, totaal geen signaal
en toch plots contact met God
via de glimhoofd-dominee
die door een zuiver afstandsschot
uit een duivelsdrone vermoord
kalmpjes tegen het asfalt glee –
zwijgend deinsde Binky terug.

Er was geen allerlaatste woord
ofschoon – het nieuws ging snel
die dode is Gods tweede zoon
nu zeer deftig – hij lijkt tevree
daar rustig liggend op zijn rug
zijn ronde hoofd – zo heel gewoon,
maar goed kijkend wist je het wel.

Het was een laffe levensroof
om gebeden die verraden bleken.
Binky’s blaf begon met dunne toon
verbaasd om het dode levensteken.
Weinig nader is mij nu het geloof,
wel soms signaal; een enkele maal
ga ik bij hem langs – hallo Vader.

Gedicht

Loop toch lichtvoetig, lul!
schreeuwde de sergeant
stop ’t stomme stampen!
Hij was bepaald geen bul
doch kende alle rampen – en wist
het zit niet in de veldslag
maar vuil en vol pijn
is de tocht weer terug
naar ’t einde van de vechtdag.
Geen bus die roestig rijdt,
in elke berm een mijn
en ’n koepaard met drie benen
kraaien op de korstbedekte rug
twee achterhoeven kapotgepist
kan je beter laten staan.

Als een slang die ter prooi glijdt
ziet hij z’n mannen verdergaan
langs de kooi van de ballerina
met tot stompen afgeslagen benen
die voor de elite van Palestina
hoereerde in het wilde Wenen
en nu in ’t licht van de spots
wuivend naar de mannen lacht.
Die voelen daardoor toch weer trots
en kracht om verder te marcheren
genoeg om nog één tel soldaat te zijn
tot de danseressenhand koel beslist
het hele peleton laat exploderen
door iets veel sterkers dan een mijn
en elke voet allicht is weggewist.

God lachte en dacht
niks geen gerib
nog voor de nacht
stuur ik een godin naar
hem daar benee
maar door een astrale slip
was ’t slechts wat engelenhaar
dat wolkerig aardwaarts glee.

Gedicht

De laatste hond van Roberto
bedreven jager op fazanten
is vanochtend uitgetreden –
door de bus die ruim vertraagd
te snel het dorp was ingereden.
De chauffeur is doodgeslagen
zijn bus brandend het ravijn
voorbij de uitgeputte kolenmijn
ingeduwd. De hond weggedragen.
De klok zuchtte sombere uren,
dof – als bloed dat traag nog drupt,
of een oude mond die vaag
iets zegt op wat is gevraagd.

Roberto stond daar in zijn treurig lot
op het plein – alleen, want iedereen
verschool zich voor zijn geweer
waarvan de loop niet doelloos zwaaide
maar in zijn handen het verweer
voor het gebeurde schreef, afgesloten
met een enkel schot.
De klok zwijgt. Terug van het graf
wordt het lijk van de rijder zonder eer
afgevoerd, net zoals de doders en
de duwers – op weg naar hun straf.

Het plein is aangeveegd, met stoom
en bleek verdween het bloed.
De klok slaat zes, die avond is er nog
een keer fazant, de dorpelingendroom
van geluk en wijn en geen verlangen.
Geen hond die blaft.
Geen blad dat naar de nacht toe valt.

Gedicht

Als de vinger van het verlichte huis
gelijk een zomerdag het duin bestrijkt
staat zij doodstil in het schelpengruis
verblind door wat haar ongezien bereikt.

Hij is de nacht die zwijgend draait
om de aarde als een zilveren god
die in een flits zijn sterren zaait
zij gilt maar hoort niet eens het schot.

De dunne wind schuift schraal naar noord
een meeuw doorstreept de lege lucht
ziet scherp het dode van de andere soort
en vleugelt verder op zijn eigen vlucht.

Gedicht

Van de ware woorden
gezegd of nimmer nog bedacht
en ook de andere
bedoeld om te ontroeren
werden klank en inhoud
zomaar stopgezet
om ze in het zwart van de nacht
zwijgend af te voeren
en met leugens te vermoorden.

Maar zelfs toen hun as
verwoei naar de lege kilte
– weg van het kwade denken –
waar eeuwen eerst het niets
en langer nog de stilte
van de zinnenloze vlakte was,
zong een merel een zacht gebed
en leek de vijand uit te dagen

alles voor altijd te laten zwijgen
– wetende dat het onmogelijk is
om al dat zingt en denkt en kout
dood en nooit bestaand te krijgen.

Immers elk woord,
zacht gezegd, geschreven
gezongen of misschien
gehoord nog nooit,
heeft een langer leven
dan welk gedroomd rijk ooit
zijn heerser heeft gegeven.

Gedicht

De dood ziet zwijgend hoe zij
een kaart keert en kijkt
naar het beeld dat gelijkt
het lachje in haar hart – van mij.

Lijn tien bellend hoort ze niet
als een traan trekt aan de kraaienpoot
en het tafelkleed vlamt in ’t avondrood.
Er kruipt wat leeggehuild verdriet.

Daar het raam, een arm die wenkt
dat ze nu maar mee moet komen,
stoppen met wat het leed verlengt.
Een vlaag breekt door de bomen
als zij zichzelf de vrijheid schenkt
verlost van God en valse dromen.

Gedicht

In een gat vol toonloos stil
zilver licht in mijn geest
omzoomd door roep en gil,
eisen, geilheid, vlak verdriet
van mijzelf en anderen
– ik haat ze noch ik ken ze niet,
maar menig mens is beest –
staat groots en sterk
elke tel altijd als roos en
stilzwijgend roerloos imposant
de waarheid – machtiger dan
elke koning, krant of kerk
of totalitair avondland.
In jouw eigen geest
met geheel ander werk
en verlangen en venijn
zweeft ook stil en zilver
licht rond de waarheid.
Niet die uit jouw zielepijn,
maar dé waarheid –
dezelfde als die in mij.

Elk leven gaat maar
om één besluit:
doof het zilver licht –
hoe ijdel kan men zijn
of omarm in eeuwigheid
de waarheid van de waarheid
stil, of open luid –
hoe dan ook.

Kan jij het aan te weten dat
met het stil der gedachtenstem
die overal zilver lichtend
zweeft en iets oneindigs geeft
aan haar en zwart, Zafir en Chem
jij mij in je draagt
en ik jou in mij
– een ieder altijd in allen?

Gedicht

Diep daar in ’t verkilde avondwoud
waar licht slechts stervend zweeft
gaat zonder kracht een man – zo oud
met op zijn rug een vracht vol dood.

Verzwakt de zon tot duisterkoud
dan sluipt de walg dat hij nog leeft
door het zwijgend zand vol goud
naar de naderende dodenschoot.

Zijn vraag was steeds een leven oud –
in het laatste dat het zwart hem geeft,
klinkt: ‘u die allang mijn adem houdt,
waarom gaf u zich niet eerder bloot?’

Gedicht

Misschien heeft hij het huis gezegd
dat hij nooit meer terug zou keren,
zijn bestaan niet verder moest onteren
verdoemd was hij tot een vuil gevecht.

Mogelijk heeft hij uren lopen huilen
zacht, zodat geen snik ’t huis ontschoot.
De merel die gans de dag concerten floot
moest niet zwijgen op zijn tree van twijgen.

Hopelijk heeft het huis zijn angst verzacht
en was het verdriet een iets gestold
toen – hij wist heel goed wat hij deed,
naast de deur haar gif naar binnen gleed.

Waarschijnlijk heeft de dood veel pijn gedaan
bevreesd, met kramp, wanhopigheid;
maar alles moet hem liever zijn geweest
dan te creperen als des vijands onderdaan.

Zeker triest te zien dat waar hij had gehoopt
op eeuwigheid vol vrede en tevredenheid –
in een dag dat huis van hem is weggesloopt.

Sonnet

Zo liefdevol de hond die kwispelt,
maar met de staart van grootmama
haar mond beroert tot dentaal drama
waardoor zij direct meer lispelt.

Zo zelfs dat het hoorbaar ritselt.
Vooral bij ’t eten van tomatensla
en zeker met wat harde koek als na
wordt er vaak een heel gebit gewisseld.

De hondenstaart is knap gedecoupeerd;
het zwiepen liep volledig uit de klauwen
en ook oma is zeer groots geopereerd
na advies Koni-kaken in te bouwen –
zodat het bij ’t eten nu veel beter veert
en zij voedsel binnensmonds kan kauwen.