Gedicht

Dwalend door de mestvaalt van mijn denken

lege kamers, holle zalen, dode haard

verrotte ramen die het zonlicht buigen

van de plek waar de tijd mijn ziel bewaart,

 

zie ik op de balken grauwe vuile uilen

volgevreten kennis uit mijn vervallen staat.

Wat rest en rent zijn vale hagedissen

de dood die wenkt in hagelwit gewaad.

 

Vier doktoren stormen dronken binnen

grijpen naar het poeder voor mijn levenseind

voltooien mag, maar zonder orgaan te vervuilen,

zonder dat het andermans levenskans verkleint.

 

De staat bepaalt het liefst wanneer te overlijden

getreden wordt mijn recht op stoppenwens;

de dood is handel voor de politieke beesten

mijn lijf in hergebruik – ik sterf tot doorleefmens.

Gedicht

Giftige stenen zijn gisteren gevallen

ratelend en later als een ranseling

gestaafd door de mannen in het grijs

van de onschuldige ochtendmist,

weg uit de echovolle ontzettendheid

van het dode, het verpulpte

dat (na de geslaagde steniging)

vannacht nog krampte en kotste

en daar nu stil en oneindig pril

(als blijk van blauwe ongeborenheid)

in alweer de maagdelijke lenteweide

vasthangt aan de wilgen

die zij nooit meer zullen knotten.

 

Ik ben zo’n grijze man

en waardeer het wel

zo’n grootse gruweldood – ook van jou

te mogen overleven.

In de mist gelukkig te zijn.

Gedicht

Je bent een werkelijkheid gaan dromen

in het bestaan dat niet te vermijden was.

Gesprekken voer je nu vaak met muren

aan de spiegel hangt een lach vol stof.

Als de bel gaat voel je altijd oude tranen,

als de wind vlaagt knijpt je keel zich dicht,

als je een mens ziet, denk je toch aan hem.

 

Was ik maar een vogel, dacht je gisteren

toen moest je glimlachen en nam je wijn.

‘s Avonds laat sloeg het herbeleven toe –

dat je jarenlang zijn mooiste leeuwin was

je plaats verloren had door dat dromen.

De leegte was gevolgd door diepe pijn

uitgekomen op een stille eenzaamheid.

 

Grijp de laatste zonnestraal, mijn lief –

de laatste! Er zit gewoon geluk aan vast.

Ontstijg wat jou nu knecht en ketent

sla af de angsten en die zwarte dromen

luister naar de lach die al eerder klonk.

Stijg op, word vogel en vlieg vrolijk naar

de tak bij de lach en koester je in de zon.

De kern

De kern van ons zijn niet
het schreeuwen van kleuren
niet de geur van luxe-beurzen
noch de sterren aan de bar
of die in de keuken –

het is de oneindige schoonheid
die zich in stilte neer laat leggen
over alles – zonder aanziens
van het wat, het hoe en wie,
de verbeelding van wat altijd
en overal onaanraakbaar is.

Groter hier.

Gedicht

Met domheid doortrokken ogen
de mond vol meel en tongen die
gelijk Judas en Jakobus heersen,
als adelaars die feiten moorden
in bizarre uniforme onnozelheid.

Handen tot gestompte klauwen
gestoken in verraderlijk fluweel;
de oren die naar anderen hangen
voeten vergiftigd in het hoofdveld
en blauw gekalkt het schedeldak.

Vol vileine verbindingen zijn zij
gehuld in die vale huid van recht
het misbruik stulpt uit alle gaten.
Vernederd is ‘t stemmend vee dat
elke week weer meer vervreemdt.

Dat de domheid zo kan doorregeren,
zo verdoemd beschadigend blijft zijn.
Doe me één reden God, eentje maar
waarom ik hier niet mag verbrijzelen
uit naam van de Vierde Korenbloem.

Gedicht

Van de bomen behangen nog
met wilde dromen uit de zomer
met kleine schreeuwen over
voorbije tijden en de herfst
die het raggelzwarte van de
nieuwe dood te somber vindt;

die bomen die onze gedachten
ademen maar niet begrijpen
– en wijzelf die, als we kijken
denken dat we alles weten
waarom zo’n kroon verschiet
maar niet weten wat sterven is;

die bomen komen sterk weerom
groen dan, fris en soepel jong
met een allengs verzwarende
schaduwstem waarin uw angst
om verloren zinnen rondwaart
als blad dat onherroepelijk valt.

Gedicht – ook voor Appeltaart-Jacques (vandaag 59)

Iedereen predikt verbindingen, verbonden zijn

de kermispastoor, de museumdirecteur, de ster,

de goeroe, de makelaar, de Passion en het boek.

 

De mens slurpt hun preken met grote gulzigheid

door het wegvallen van het geloof, de grote verhalen,

de zuilen, het vertrouwen in wat dan ook, de hoop.

 

Niet verbonden zijn – niet verbonden wíllen zijn

is ongezellig, trieste eenzaamheid, een tekort,

of zelfs niet oké, de dreiging van een lone wolf.

 

Verbindingen – ze trekken de mens meer en meer

naar de oververbinding: social media, netwerken,

misleiding, stille dwang en vileine onderdrukking.

 

Verbindingen – in feite zijn het verplichtingen, of

geniepige dictaten die handen en gedachten binden,

de middelmaat maken, het unieke graag kleineren.

 

Erger nog: verbindingen hollen tere geesten uit,

laten meningen verdampen, maken mensen voos;

leiden tot hedonisme, consumentisme, massificatie.

 

Verbindingen zijn geen verrijkers maar verslavers;

terwijl zelfstandigheid en ongebondenheid zo lang

de mens bestaat basis zijn voor kracht en samengaan.

 

In alle tijden leeft de onverbondene rijk aan liefde,

wijsheid, mededogen; bescheiden met een kennen

en respecteren van de wereld – een geest in vrijheid.

Gedicht

Vanuit de bomen kwam het vuile kwaad
het noodweer was fel maar vergeefs
een laatste regendrup beroerde het gezicht
en toen was het alsof de wind ontdaan
door de waarheid het bos uit woei – weg
naar een sloot die van niets wilde weten en
langs de vogelsnavel die met haar schreeuw
een hoek trok uit het grauwe wolkendek
zodat het ooit gedoofde licht zijn prooi
door kon slepen naar ’t duivelse polderpad.

Niets
kan zeggen wat de harten schreeuwen
van jou, van zovelen – over dit verdriet

niets
maakt het om door te schrijven te zeggen
wat niet anders kan: we krijgen je niet terug.

Maar het zal de wind zijn – overal, altijd –
die uiteindelijk wil herenigen
door fluisterend soms stil van zichzelf
te zeggen: hier – hier is ze
raak me aan, raak haar aan
streel mij terug de wind, hoor haar zingen
hoor en voel het veel oneindiger zij nu is.

Gedicht

Op mijn hemelsblauwe houtbureau

waar ik levens lang laat lijden

ook het hare – maar dat terzijde,

waarop ik woordenzoekend leun

soms vermoeid en vloekend steun

vaak de dood laat overwinnen

en evengoed kan laten strijden

met grijnzende gezegdes

over grijzende legendes

en lippen die zich glanzend spreiden

om mijn optatische orgasmes,

 

wint mijn woordwapen altijd van die dood

met fijne wellevendheid en zinnen scherp;

het is mijn medewerkend blauwvoorwerp,

dit jaren terug geërfde Parker vulpotlood.

Later kwam er …

Later kwam er mooi meer licht
en keken we samen naar de liefde
van de parels voor de bramen;
vertelde jij hoe mooi het was
onder een sluier stil te huilen
en hoe moeilijk het zal zijn
om koud te liggen in een kist
met dan geen traan die
koud en klein zal willen schuilen
en ik alleen – en eenzaam in de mist.

Gedicht

Uit het verre donker bonken
voorbij de lijn des horizons
met de flauwe flits van vonken
streept een spoor van doodwagons.

Vol verstorven ademhalen
losgetrokken van een droom
lig jij zachtjes na te hijgen
naast me in het zomers loom.

Iets kruipt donker naar de kruinen
waaraan het zonnewarm nog tijdloos hangt
een oogwenk voor de aanzet der bazuinen
is daar jouw mond die klein een kus verlangt.

Scheurend spat – te snel om te ontwijken
onze vree in stalen splinters uit elkaar
te laat – de tuin belegd met louter lijken
en te weining waren wij de tijd gewaar.

Gedicht

Die zomerochtend kwamen de stalen raven,
om welk boek en vanwaar wist geen van ons.
Het oude bos befluisterde hun zachte vlucht
de bladeren bogen voor de matte vleugels
en glinstersnavels sneden hoeken uit de lucht.

Op de droge warme straat speelde een kind,
het was stil, onbemind en had toch een lach
– het danste klein van droom naar droom.
De raven slepen loom hun snavels scherp
aan het takkensteen van de dorpspleinboom.

Met zijn groei begon het kind te klimmen
eerst op de knoesten van een verleden tijd,
later aan de hemelarmen van het ravenvolk.
Maar toen hij ook de klauwen aan kon raken,
dreigden scherpe halen van zo’n snaveldolk.

Het kind werd groots, een sterke man.
Geen raaf ging dood, geen een verdween.
Ze waren daar, stil elk uur en jaar na jaar
de adem van de boom, van het avondrood.
Nooit een van ons voorzag het staalgevaar.

Totdat de man zijn eigen kind – met kleine lach
liet dansen op de warme straat. En schreeuwde
naar het woest dat van de boom losschoot,
wat het staal niet stopte dat voluit raken moest –
en dat het kind kapotsloeg tot een gore dood.

Gelijk een diepe zucht zijn ze weggevlogen,
niemand weet waarheen. Een vlucht van
lang nog staal-geglinster in de middagzon
ver van aller angst, zijn bloed – en de vragen
waarom het onheil hier en zo bij ons begon.

Gedicht (Barçelona)

Vallend blad – op een zomerdag!
Laf gestuurde bestelbusdood
nog sneller dan die kinderlach
kleurt tegels langzaam rood.

Hier het geloof, daar hun haat.
Och heer, ze zijn intens verdoofd
door u-misbruikte leugenpraat
die elk van hen het paradijs belooft.

De kruin in bloei, de stam in bloed
een roos zegt zacht hier was geweld.
Een hand wil steun, er trilt een voet
in het stemmenstil dat triest vertelt.

Dan zingt het sterk en waardig rond
– de mens maakt eer en moed gewaar
met handgeklap en dappere mond –
wijk nimmer voor een geloofsbarbaar.

Gedicht

Mismoedig leven met rondom
het eeuwenwoud in duisternis
van het wolvenkind jankt
de wanhoop door een boom
die voluit valt uit ouderdom,
maar toch de vraag verzwijgt
noch beantwoordt – waarom
leed altijd komt en vaker niet
vuil grijnzend door het front
maar sluipend stil achterom.

Het is wel kracht die doet leven
voor een zucht; ons blinddoekt
met een tel van geluk, voor even;
maar snel in angst de lijnen krast
rond die droom van waardigheid –
er is geen troost voor het noodlot
van het zware zijn der eindigheid.