Zeg het maar …

The Eye

The empty mind you finally display
ten weeks into the yogic agony
of your silent retreat, you will discover
in the stages of a gin hangover.

So too the self you slaughtered in the bliss
of her astonishing astonished kiss,
the loch in starlight or the late quartet
is what your dog knows as its waking state.

All I mean is soul just can’t allude
to that pretty trance you might know twice a year
when the ape is somehow home enough or mind
is lost enough for both to disappear,
but what is leaves unguarded and unblind.
Its holocaust. Its vast solicitude.

Don Paterson

Gedichtenbundel Tijdelinge

Naast de gedichtenbundel Aardelinge (2017) is nu ook verkrijgbaar Tijdelinge.
75 gedichten over de thema’s leven, spiritualiteit, verdriet, vrolijkheid en actualiteit.
Hier kopen.

Gedicht van Ester Naomi Perquin, Dichter des Vaderlands

(let op de derde regel …)

Staat

Verlos ons van de hooligans, het brullen in de straten. Van treinen die niet rijden

en van de themaweek. Van volledig automatisch doorgeladen haten,

de liegende politicus. De koffie en de cake.

 

Verlos ons van vergunningen en van ons welvaartsvet. Pyjamadag. Bejaardenflat.

Van het burgerbijstandsteam en vaste inlooptijden. Van hoofddoekvrees,

van religieus besnijden. Van lange rijen op Schiphol,

 

de aanklampmails van goede doelen. Van posterhoofden, viltstifttrekkers,

peervormigheid en sta-op-stoelen. Van aftapping en pseudovraag.

Van mensen die mijn land zeggen en hun buurt bedoelen.

 

Van dertig soorten pindakaas en zestig soorten brood. Van sushibar,

vuurwerkshow en dansen na de dood. Verlos ons van de bontkraag

en van de kansenwijken. Van kaas met plastic randen

 

en van speelgoed voor de rijken. Van voorlichting met aardbeismaak.

Digitaliseren. Van witgewassen auto’s die je nergens kunt parkeren.

Van optimisme, beeldschermliefde, hypnotherapie.

 

Van de Hitler-vergelijking en de rok over de knie. Van Facebookrel,

begrotingsfout, van dreigen met de hel. Van de weekheid

der nuance en de domheid van het geld.

 

Van vegasnack en suikertaks. Van metrolijn en brekend steen.

Van ingevlogen superfruit. Van hoogbegaafdheid in groep 1.

Van kleuren voor volwassenen en kinderen die roken.

 

Van mantelzorg en schuldgevoel. Van balancerend koken. Van cowboys,

indianen, van speelgoedactivisme en studerende vandalen.

Van steeds gekwetste zielen. Van stropdaspolemiek.

 

Van alle holle vragen op de labels aan de thee. Van twitterpolitiek

en ijsbeertjes op zee. Van vragenuur. Van kast, van muur,

van doeners die niets blijvends meer bedenken.

 

Van denkers die wel weten maar niet doen. Van alle rare woorden

en hun nutteloze schrijvers. Van standbeeldangst en valse roem.

Verlos ons van de goddelozen en de predikanten.

 

Van thuiscompost en CO2. Van lekker tegen-alles, lekker voor-me-eigen.

Van kankerroepers, tegelfluimers. Sissers, graaiers, hijgers. Verlos ons

van parkeerbeleid, de taart met genderkleur,

 

de wachtmuziek, het supermarkthumeur. Van fietsendief, van festivals

en van reclameborden. Van dichte mist. Van verre pijn. Middenweg

en polderleed. Quinoasnorren. Sportschoolzweet.

 

Van jezelf te moeten zijn. Verlos ons van de hypotheek. Verlos ons

van de huur. Van jonge boerendochters, comazuipend

in een schuur. Verlos ons van de meerderheid.

 

De eenzaamheid. Het zaad. De varkenskop, de knuffelploeg, de knieval

voor de haat. Verlos ons van de meningen en van het stemlokaal.

Van privacy. Van ironie. Verlos ons allemaal.

• Bron: NRC Handelsblad, 21 maart 2018

Gedicht

Fluit ze in vergeeld Chinees

zing als fado in het Portugees

maar zeg ze niet in deze taal

laat staan als staal van Duits:

we hebben het niet geweten.

 

Je zag ze dansen op hun roze wolk

de majesteit en de papegaaien

met mastodonten en de klevers.

Zie de rat nog zoekend aan de rand

van hun beschimmelde onwetendheid.

 

Weet dat ze schrokken van de echo

uit de lege spiegel van hun ziel

waar moraal had moeten wonen.

Ze smeekten om dat eigen Jericho

uit hun wonden toen de waarheid viel.

Gedicht

Dwalend door de mestvaalt van mijn denken

lege kamers, holle zalen, dode haard

verrotte ramen die het zonlicht buigen

van de plek waar de tijd mijn ziel bewaart,

 

zie ik op de balken grauwe vuile uilen

volgevreten kennis uit mijn vervallen staat.

Wat rest en rent zijn vale hagedissen

de dood die wenkt in hagelwit gewaad.

 

Vier doktoren stormen dronken binnen

grijpen naar het poeder voor mijn levenseind

voltooien mag, maar zonder orgaan te vervuilen,

zonder dat het andermans levenskans verkleint.

 

De staat bepaalt het liefst wanneer te overlijden

getreden wordt mijn recht op stoppenwens;

de dood is handel voor de politieke beesten

mijn lijf in hergebruik – ik sterf tot doorleefmens.

Gedicht

Giftige stenen zijn gisteren gevallen

ratelend en later als een ranseling

gestaafd door de mannen in het grijs

van de onschuldige ochtendmist,

weg uit de echovolle ontzettendheid

van het dode, het verpulpte

dat (na de geslaagde steniging)

vannacht nog krampte en kotste

en daar nu stil en oneindig pril

(als blijk van blauwe ongeborenheid)

in alweer de maagdelijke lenteweide

vasthangt aan de wilgen

die zij nooit meer zullen knotten.

 

Ik ben zo’n grijze man

en waardeer het wel

zo’n grootse gruweldood – ook van jou

te mogen overleven.

In de mist gelukkig te zijn.

Gedicht

Je bent een werkelijkheid gaan dromen

in het bestaan dat niet te vermijden was.

Gesprekken voer je nu vaak met muren

aan de spiegel hangt een lach vol stof.

Als de bel gaat voel je altijd oude tranen,

als de wind vlaagt knijpt je keel zich dicht,

als je een mens ziet, denk je toch aan hem.

 

Was ik maar een vogel, dacht je gisteren

toen moest je glimlachen en nam je wijn.

‘s Avonds laat sloeg het herbeleven toe –

dat je jarenlang zijn mooiste leeuwin was

je plaats verloren had door dat dromen.

De leegte was gevolgd door diepe pijn

uitgekomen op een stille eenzaamheid.

 

Grijp de laatste zonnestraal, mijn lief –

de laatste! Er zit gewoon geluk aan vast.

Ontstijg wat jou nu knecht en ketent

sla af de angsten en die zwarte dromen

luister naar de lach die al eerder klonk.

Stijg op, word vogel en vlieg vrolijk naar

de tak bij de lach en koester je in de zon.

De kern

De kern van ons zijn niet
het schreeuwen van kleuren
niet de geur van luxe-beurzen
noch de sterren aan de bar
of die in de keuken –

het is de oneindige schoonheid
die zich in stilte neer laat leggen
over alles – zonder aanziens
van het wat, het hoe en wie,
de verbeelding van wat altijd
en overal onaanraakbaar is.

Groter hier.

Gedicht

Met domheid doortrokken ogen
de mond vol meel en tongen die
gelijk Judas en Jakobus heersen,
als adelaars die feiten moorden
in bizarre uniforme onnozelheid.

Handen tot gestompte klauwen
gestoken in verraderlijk fluweel;
de oren die naar anderen hangen
voeten vergiftigd in het hoofdveld
en blauw gekalkt het schedeldak.

Vol vileine verbindingen zijn zij
gehuld in die vale huid van recht
het misbruik stulpt uit alle gaten.
Vernederd is ‘t stemmend vee dat
elke week weer meer vervreemdt.

Dat de domheid zo kan doorregeren,
zo verdoemd beschadigend blijft zijn.
Doe me één reden God, eentje maar
waarom ik hier niet mag verbrijzelen
uit naam van de Vierde Korenbloem.

Gedicht

Van de bomen behangen nog
met wilde dromen uit de zomer
met kleine schreeuwen over
voorbije tijden en de herfst
die het raggelzwarte van de
nieuwe dood te somber vindt;

die bomen die onze gedachten
ademen maar niet begrijpen
– en wijzelf die, als we kijken
denken dat we alles weten
waarom zo’n kroon verschiet
maar niet weten wat sterven is;

die bomen komen sterk weerom
groen dan, fris en soepel jong
met een allengs verzwarende
schaduwstem waarin uw angst
om verloren zinnen rondwaart
als blad dat onherroepelijk valt.

Gedicht – ook voor Appeltaart-Jacques (vandaag 59)

Iedereen predikt verbindingen, verbonden zijn

de kermispastoor, de museumdirecteur, de ster,

de goeroe, de makelaar, de Passion en het boek.

 

De mens slurpt hun preken met grote gulzigheid

door het wegvallen van het geloof, de grote verhalen,

de zuilen, het vertrouwen in wat dan ook, de hoop.

 

Niet verbonden zijn – niet verbonden wíllen zijn

is ongezellig, trieste eenzaamheid, een tekort,

of zelfs niet oké, de dreiging van een lone wolf.

 

Verbindingen – ze trekken de mens meer en meer

naar de oververbinding: social media, netwerken,

misleiding, stille dwang en vileine onderdrukking.

 

Verbindingen – in feite zijn het verplichtingen, of

geniepige dictaten die handen en gedachten binden,

de middelmaat maken, het unieke graag kleineren.

 

Erger nog: verbindingen hollen tere geesten uit,

laten meningen verdampen, maken mensen voos;

leiden tot hedonisme, consumentisme, massificatie.

 

Verbindingen zijn geen verrijkers maar verslavers;

terwijl zelfstandigheid en ongebondenheid zo lang

de mens bestaat basis zijn voor kracht en samengaan.

 

In alle tijden leeft de onverbondene rijk aan liefde,

wijsheid, mededogen; bescheiden met een kennen

en respecteren van de wereld – een geest in vrijheid.

Gedicht

Vanuit de bomen kwam het vuile kwaad
het noodweer was fel maar vergeefs
een laatste regendrup beroerde het gezicht
en toen was het alsof de wind ontdaan
door de waarheid het bos uit woei – weg
naar een sloot die van niets wilde weten en
langs de vogelsnavel die met haar schreeuw
een hoek trok uit het grauwe wolkendek
zodat het ooit gedoofde licht zijn prooi
door kon slepen naar ’t duivelse polderpad.

Niets
kan zeggen wat de harten schreeuwen
van jou, van zovelen – over dit verdriet

niets
maakt het om door te schrijven te zeggen
wat niet anders kan: we krijgen je niet terug.

Maar het zal de wind zijn – overal, altijd –
die uiteindelijk wil herenigen
door fluisterend soms stil van zichzelf
te zeggen: hier – hier is ze
raak me aan, raak haar aan
streel mij terug de wind, hoor haar zingen
hoor en voel het veel oneindiger zij nu is.

Gedicht

Op mijn hemelsblauwe houtbureau

waar ik levens lang laat lijden

ook het hare – maar dat terzijde,

waarop ik woordenzoekend leun

soms vermoeid en vloekend steun

vaak de dood laat overwinnen

en evengoed kan laten strijden

met grijnzende gezegdes

over grijzende legendes

en lippen die zich glanzend spreiden

om mijn optatische orgasmes,

 

wint mijn woordwapen altijd van die dood

met fijne wellevendheid en zinnen scherp;

het is mijn medewerkend blauwvoorwerp,

dit jaren terug geërfde Parker vulpotlood.

Later kwam er …

Later kwam er mooi meer licht
en keken we samen naar de liefde
van de parels voor de bramen;
vertelde jij hoe mooi het was
onder een sluier stil te huilen
en hoe moeilijk het zal zijn
om koud te liggen in een kist
met dan geen traan die
koud en klein zal willen schuilen
en ik alleen – en eenzaam in de mist.