Gedicht

Diep daar in ’t verkilde avondwoud
waar licht slechts stervend zweeft
gaat zonder kracht een man – zo oud
met op zijn rug een vracht vol dood.

Verzwakt de zon tot duisterkoud
dan sluipt de walg dat hij nog leeft
door het zwijgend zand vol goud
naar de naderende dodenschoot.

Zijn vraag was steeds een leven oud –
in het laatste dat het zwart hem geeft,
klinkt: ‘u die allang mijn adem houdt,
waarom gaf u zich niet eerder bloot?’

Gedicht

Misschien heeft hij het huis gezegd
dat hij nooit meer terug zou keren,
zijn bestaan niet verder moest onteren
verdoemd was hij tot een vuil gevecht.

Mogelijk heeft hij uren lopen huilen
zacht, zodat geen snik ’t huis ontschoot.
De merel die gans de dag concerten floot
moest niet zwijgen op zijn tree van twijgen.

Hopelijk heeft het huis zijn angst verzacht
en was het verdriet een iets gestold
toen – hij wist heel goed wat hij deed,
naast de deur haar gif naar binnen gleed.

Waarschijnlijk heeft de dood veel pijn gedaan
bevreesd, met kramp, wanhopigheid;
maar alles moet hem liever zijn geweest
dan te creperen als des vijands onderdaan.

Zeker triest te zien dat waar hij had gehoopt
op eeuwigheid vol vrede en tevredenheid –
in een dag dat huis van hem is weggesloopt.

Sonnet

Zo liefdevol de hond die kwispelt,
maar met de staart van grootmama
haar mond beroert tot dentaal drama
waardoor zij direct meer lispelt.

Zo zelfs dat het hoorbaar ritselt.
Vooral bij ’t eten van tomatensla
en zeker met wat harde koek als na
wordt er vaak een heel gebit gewisseld.

De hondenstaart is knap gedecoupeerd;
het zwiepen liep volledig uit de klauwen
en ook oma is zeer groots geopereerd
na advies Koni-kaken in te bouwen –
zodat het bij ’t eten nu veel beter veert
en zij voedsel binnensmonds kan kauwen.

Gedicht

De zus van de mus
kijkt de kat
uit de boom;
dan – zodat de kat,
zo dik, zo sloom
het niet ziet, gauw –
trekt ze de lus
van vinkentouw.

Het is toch niet,
denkt de kat,
dat alles rondjes vliegt
en mij schotels baart?
Maar ’t kattenkopje liegt:
ze hangt heel zat
draaiend aan haar staart
in de lus van de zus
van dus díe mus.

Gedicht

Als kille mist aan kale bomen
– blad verlammend weggebrand
door dat wat wel moest komen –
vrat jouw verraad aan elke hand.

Ooit wenste licht ons trots te tonen
welk idee bestond voor jou en mij
in tijd en taal en groots geluk te wonen
een alfabet in lief gezet – zo vrij.

Achter jouw ogen wereldmooi
hing, eerst smal en stil, het grauw
van de wolk in ongekende kooi
die door gif verwerd tot klauw,
en haat lostrok uit de plooi
waar ons begin nog lag in morgendauw.

Frysk kunstijs

De gespierde mannen van de lange slag
zijn afgetraind maar ook behoorlijk ontevreden
want steeds verder lijkt die hemelse dag
waarop ze kunnen glijden langs hun elftal steden

altijd steekt de duim afwijzend naar benee
als wordt gezegd: pak toch kano, skate of fiets
ja, zelfs afzien in de diepvrieswind der Weissensee
vinden de langslagmannen in feite helemaal niets

en over de Zweedse prof die heel bedaard
bedacht import-ijsformaties los te laten
in de meren, sloten en op de Bonkervaart
waren er maar weinigen om door te praten

natuurlijk zijn de mannen bij de kunstijsbanen
op de bevroren velden met een natuurmarathon
maar voor de kromgerugde stalen-buistitanen
geldt alleen het alles bevrijdende it giet on!

misschien moet men zich nu toch maar ‘s
richten op de schepping van een kunstijssoort
waarop men, áls ’t dan een beetje winter is,
toch de Tocht der Tochten rijdt – zoals het hoort

immers, als we de aarde steevast kunnen verhitten
moet er de andere kant op toch ook een route zijn
een week per jaar het land van bibbergebitten
goed voor ’t milieu én een prachtig schaatsfestijn

zaaks dus denkkracht te activeren
met verkiezingen in het verschiet
is ‘t wijs Frysk kunstijs te agenderen
want iedereen is klaar met ‘het gaat niet’.

Mariëlle – Elke dageraad

haar lach ligt stil, een koud gezicht
de ziel versprong van lijn
ze zweeft uit engen naar het licht
Hij neemt en laat haar niet meer zijn

tranen aan de leie linden
de ramp ligt doodstil in de straat
haar witte goud dat ooit verblindde
herinnering die spraakloos praat

schrik groeit uit tot groot verdriet
schouder schokt en handen zoeken
naar een duiding – maar die is er niet
droefheid trekt verbeten vloeken

het ijle feit brengt bitter weten
de geest steunt op een trage snik
even is het leven niet in tijd te meten
verbijsterd vastgezet aan dát ogenblik

maar als de toekomst werkelijk bestaat
uit kracht en haar volbrachte werken
dan zal ze stralend elke dageraad
haar liefde aan ’t leven laten merken.

De tijdloosheid …

De tijdloosheid wat stil
’n Blad dat drupplend valt
De wereld van Van Mill
Had hier z’n oliezijn gestald

De tijd weerkaatst het toen
Kijkglas vol en stok gepeild
Nu is er mooie wijn en snelle poen
Wordt er voor een nood geveild

De tijd tikt maar zwijgt een tel
Laat bladeren glanzend zweven
Zo krijgt het eind dat bruine vel
Bedekker van het nieuwe leven.