Gedicht

De zus van de mus
kijkt de kat
uit de boom;
dan – zodat de kat,
zo dik, zo sloom
het niet ziet, gauw –
trekt ze de lus
van vinkentouw.

Het is toch niet,
denkt de kat,
dat alles rondjes vliegt
en mij schotels baart?
Maar ’t kattenkopje liegt:
ze hangt heel zat
draaiend aan haar staart
in de lus van de zus
van dus díe mus.

Gedicht

Als kille mist aan kale bomen
– blad verlammend weggebrand
door dat wat wel moest komen –
vrat jouw verraad aan elke hand.

Ooit wenste licht ons trots te tonen
welk idee bestond voor jou en mij
in tijd en taal en groots geluk te wonen
een alfabet in lief gezet – zo vrij.

Achter jouw ogen wereldmooi
hing, eerst smal en stil, het grauw
van de wolk in ongekende kooi
die door gif verwerd tot klauw,
en haat lostrok uit de plooi
waar ons begin nog lag in morgendauw.

Frysk kunstijs

De gespierde mannen van de lange slag
zijn afgetraind maar ook behoorlijk ontevreden
want steeds verder lijkt die hemelse dag
waarop ze kunnen glijden langs hun elftal steden

altijd steekt de duim afwijzend naar benee
als wordt gezegd: pak toch kano, skate of fiets
ja, zelfs afzien in de diepvrieswind der Weissensee
vinden de langslagmannen in feite helemaal niets

en over de Zweedse prof die heel bedaard
bedacht import-ijsformaties los te laten
in de meren, sloten en op de Bonkervaart
waren er maar weinigen om door te praten

natuurlijk zijn de mannen bij de kunstijsbanen
op de bevroren velden met een natuurmarathon
maar voor de kromgerugde stalen-buistitanen
geldt alleen het alles bevrijdende it giet on!

misschien moet men zich nu toch maar ‘s
richten op de schepping van een kunstijssoort
waarop men, áls ’t dan een beetje winter is,
toch de Tocht der Tochten rijdt – zoals het hoort

immers, als we de aarde steevast kunnen verhitten
moet er de andere kant op toch ook een route zijn
een week per jaar het land van bibbergebitten
goed voor ’t milieu én een prachtig schaatsfestijn

zaaks dus denkkracht te activeren
met verkiezingen in het verschiet
is ‘t wijs Frysk kunstijs te agenderen
want iedereen is klaar met ‘het gaat niet’.

Mariëlle – Elke dageraad

haar lach ligt stil, een koud gezicht
de ziel versprong van lijn
ze zweeft uit engen naar het licht
Hij neemt en laat haar niet meer zijn

tranen aan de leie linden
de ramp ligt doodstil in de straat
haar witte goud dat ooit verblindde
herinnering die spraakloos praat

schrik groeit uit tot groot verdriet
schouder schokt en handen zoeken
naar een duiding – maar die is er niet
droefheid trekt verbeten vloeken

het ijle feit brengt bitter weten
de geest steunt op een trage snik
even is het leven niet in tijd te meten
verbijsterd vastgezet aan dát ogenblik

maar als de toekomst werkelijk bestaat
uit kracht en haar volbrachte werken
dan zal ze stralend elke dageraad
haar liefde aan ’t leven laten merken.

De tijdloosheid …

De tijdloosheid wat stil
’n Blad dat drupplend valt
De wereld van Van Mill
Had hier z’n oliezijn gestald

De tijd weerkaatst het toen
Kijkglas vol en stok gepeild
Nu is er mooie wijn en snelle poen
Wordt er voor een nood geveild

De tijd tikt maar zwijgt een tel
Laat bladeren glanzend zweven
Zo krijgt het eind dat bruine vel
Bedekker van het nieuwe leven.