
Gedicht: Zwart



Ik heb de tijd nog meegemaakt
dat zij van alle mensen was
een manier om vrede en geluk te kennen.
Zelfs heb ik het beleefd
dat de tijd bijna stilstond, slechts zachtjes tikte
tegen ramen om het daglicht door te laten
en dan wachtte tot de terugblik van de avond.
Het was ook de tijd waarin je wist
dat het lange strelen in de nacht
weer een dag zou baren vol oneindigheid.
Nu blijkt van tijd tot tijd
het einde aan de eeuwigheid en
uren die nog niet zijn heengegaan
grommen als bejaagde minderheid.
Als dun met een zucht de laatste tik
het leven van de tijd afglijdt zal
het weten komen: de tijd die was ik.
Het was cement en veiligheid
steunbeer was het, fundament
van kracht en hoop van een ik
en meer wij, ons goede geloof
in land en politiek en kerk
het was het bloed van de moraal
de adem van het bestaan.
Nu is het vertrapt misbruikt
een lege huls die niets meer kan
het is beschaamd een vuile mist
die samenhang tot vijand maakt
sinister zwart gedeeld met wan.
Nog zelden maar een droom
een dood woord in elke egoïst.


De dader dood, het lijf hersteld
wat rest haar heet vernedering
al gauw en niet herkend
verborgen achter tooi en mom
van stoer en dunne aardigheid.
De ziel door pijn, verlies en haat
stilaan gevat in ijs de kille greep
van nooit begrepen schaamte
die het leven slopend stoppen laat
in haar toch ooit een leuke meid.



Het schemert al wat jaren
maar bij de zwarte engelen
brandt het licht nog niet.
’t Geheugen zwaar te moede
ooit erewacht van mijn bestaan
huilt – onzeker of het hoopt
op toch nog een verhaal of
de streling van een vleugelslag.
Wie goed de tranen leest, weet
wat immer woonde in mijn hart.
Uit de verte klinkt dun en
eindeloos de laatste zang van
de stervende vogel des doods.
De schilder zet een herrijzenis op
en dan sterf ik om te leven
omdat mijn liefde eeuwig is.
Iets komt in onhoorbaarheid
geen gerucht, geen spoor van licht.
De zon blijft maar zonder lach
wordt de stilte nog stiller.
Uit dit oneindige net niet lege niets
ontstaat met een onbestemdheid
onbegrepen traag een minimaal anders-zijn.
Een trilling, een warmte, stilaan een ritme
dat natuurlijk altijd al immanent was.
Het klopt – zo bepaalt de natuur
waarin het gebeurt – het klopt.
Zij moeder weet de hele wereld opnieuw
ook in de dunne adem van de stilte
die zacht verdergaat met leven maken.


