
Gedicht: Wat?


Zij kan het zich niet meer voor de geest halen
die suizende weg van zachte aanraking
tot ver en lang voorbij de eerste siddering
de woorden die hun lust steeds geiler gretiger
verbogen en de spieren die het heftige vertalen
van bijtende monden krabbende nagels maakten
tot de aaneengeregen orgasmes en het zuchten
dat zich verzwaarde en lostrok tot gegrom
en geklauw, geschok en dat ze dan alles lieten
uiteenspatten, de rug gekromd in een schreeuw
die kwam van diep en ver en eeuwig duurde …
… ze kan hem zich niet herinneren
als hij vanachter het dampende theeglas haar
met de lepel in zijn ongeschoren rimpelwang
vragend aankijkt, het moedeloze in bedwang
en uit een vage glimlach zegt ‘bijna vijftig jaar’.
Ze weet niet wie hij is, het getal zegt haar niets
hij heeft droeve ogen – ze voelt zich niet bang.
Lang, zegt ze tegen de lucht, een lach maakt zich los
en hij knikt, lacht terug: ‘Ja, lang, erg lang.’
Dan begint ze te stralen. Zomaar opeens weet ze het,
het antwoord op de vraag dat ze in de dierengroep
vanochtend ook van zichzelf niet heeft gehoord.
Giraffennek – hij schudt even zijn hoofd als zij
gesteund door een verzorgster zijn leven uit schuifelt.
Om wat, denkt hij als de buitendeur open kreunt
verdomme, verdriet om wat heb ik zo lang meegedragen?
De zilverheid van de lente
door onzichtbare engelenhanden
uit de winterse werelden van ver
of mischien wel vanachter de sterren
voorbij het huis, voorlangs het thuis
dichter bijgebracht in een knop
een zachte straal van licht
zo maar verzegeld door de wind
met een kus op mijn gezicht.






Ik heb de tijd nog meegemaakt
dat zij van alle mensen was
een manier om vrede en geluk te kennen.
Zelfs heb ik het beleefd
dat de tijd bijna stilstond, slechts zachtjes tikte
tegen ramen om het daglicht door te laten
en dan wachtte tot de terugblik van de avond.
Het was ook de tijd waarin je wist
dat het lange strelen in de nacht
weer een dag zou baren vol oneindigheid.
Nu blijkt van tijd tot tijd
het einde aan de eeuwigheid en
uren die nog niet zijn heengegaan
grommen als bejaagde minderheid.
Als dun met een zucht de laatste tik
het leven van de tijd afglijdt zal
het weten komen: de tijd die was ik.
Het was cement en veiligheid
steunbeer was het, fundament
van kracht en hoop van een ik
en meer wij, ons goede geloof
in land en politiek en kerk
het was het bloed van de moraal
de adem van het bestaan.
Nu is het vertrapt misbruikt
een lege huls die niets meer kan
het is beschaamd een vuile mist
die samenhang tot vijand maakt
sinister zwart gedeeld met wan.
Nog zelden maar een droom
een dood woord in elke egoïst.


De dader dood, het lijf hersteld
wat rest haar heet vernedering
al gauw en niet herkend
verborgen achter tooi en mom
van stoer en dunne aardigheid.
De ziel door pijn, verlies en haat
stilaan gevat in ijs de kille greep
van nooit begrepen schaamte
die het leven slopend stoppen laat
in haar toch ooit een leuke meid.

