Gedicht

Met domheid doortrokken ogen
de mond vol meel en tongen die
gelijk Judas en Jakobus heersen,
als adelaars die feiten moorden
in bizarre uniforme onnozelheid.

Handen tot gestompte klauwen
gestoken in verraderlijk fluweel;
de oren die naar anderen hangen
voeten vergiftigd in het hoofdveld
en blauw gekalkt het schedeldak.

Vol vileine verbindingen zijn zij
gehuld in die vale huid van recht
het misbruik stulpt uit alle gaten.
Vernederd is ‘t stemmend vee dat
elke week weer meer vervreemdt.

Dat de domheid zo kan doorregeren,
zo verdoemd beschadigend blijft zijn.
Doe me één reden God, eentje maar
waarom ik hier niet mag verbrijzelen
uit naam van de Vierde Korenbloem.

Gedicht

Van de bomen behangen nog
met wilde dromen uit de zomer
met kleine schreeuwen over
voorbije tijden en de herfst
die het raggelzwarte van de
nieuwe dood te somber vindt;

die bomen die onze gedachten
ademen maar niet begrijpen
– en wijzelf die, als we kijken
denken dat we alles weten
waarom zo’n kroon verschiet
maar niet weten wat sterven is;

die bomen komen sterk weerom
groen dan, fris en soepel jong
met een allengs verzwarende
schaduwstem waarin uw angst
om verloren zinnen rondwaart
als blad dat onherroepelijk valt.

Gedicht – ook voor Appeltaart-Jacques (vandaag 59)

Iedereen predikt verbindingen, verbonden zijn

de kermispastoor, de museumdirecteur, de ster,

de goeroe, de makelaar, de Passion en het boek.

 

De mens slurpt hun preken met grote gulzigheid

door het wegvallen van het geloof, de grote verhalen,

de zuilen, het vertrouwen in wat dan ook, de hoop.

 

Niet verbonden zijn – niet verbonden wíllen zijn

is ongezellig, trieste eenzaamheid, een tekort,

of zelfs niet oké, de dreiging van een lone wolf.

 

Verbindingen – ze trekken de mens meer en meer

naar de oververbinding: social media, netwerken,

misleiding, stille dwang en vileine onderdrukking.

 

Verbindingen – in feite zijn het verplichtingen, of

geniepige dictaten die handen en gedachten binden,

de middelmaat maken, het unieke graag kleineren.

 

Erger nog: verbindingen hollen tere geesten uit,

laten meningen verdampen, maken mensen voos;

leiden tot hedonisme, consumentisme, massificatie.

 

Verbindingen zijn geen verrijkers maar verslavers;

terwijl zelfstandigheid en ongebondenheid zo lang

de mens bestaat basis zijn voor kracht en samengaan.

 

In alle tijden leeft de onverbondene rijk aan liefde,

wijsheid, mededogen; bescheiden met een kennen

en respecteren van de wereld – een geest in vrijheid.

Gedicht

Vanuit de bomen kwam het vuile kwaad
het noodweer was fel maar vergeefs
een laatste regendrup beroerde het gezicht
en toen was het alsof de wind ontdaan
door de waarheid het bos uit woei – weg
naar een sloot die van niets wilde weten en
langs de vogelsnavel die met haar schreeuw
een hoek trok uit het grauwe wolkendek
zodat het ooit gedoofde licht zijn prooi
door kon slepen naar ’t duivelse polderpad.

Niets
kan zeggen wat de harten schreeuwen
van jou, van zovelen – over dit verdriet

niets
maakt het om door te schrijven te zeggen
wat niet anders kan: we krijgen je niet terug.

Maar het zal de wind zijn – overal, altijd –
die uiteindelijk wil herenigen
door fluisterend soms stil van zichzelf
te zeggen: hier – hier is ze
raak me aan, raak haar aan
streel mij terug de wind, hoor haar zingen
hoor en voel het veel oneindiger zij nu is.

Gedicht

Op mijn hemelsblauwe houtbureau

waar ik levens lang laat lijden

ook het hare – maar dat terzijde,

waarop ik woordenzoekend leun

soms vermoeid en vloekend steun

vaak de dood laat overwinnen

en evengoed kan laten strijden

met grijnzende gezegdes

over grijzende legendes

en lippen die zich glanzend spreiden

om mijn optatische orgasmes,

 

wint mijn woordwapen altijd van die dood

met fijne wellevendheid en zinnen scherp;

het is mijn medewerkend blauwvoorwerp,

dit jaren terug geërfde Parker vulpotlood.

Later kwam er …

Later kwam er mooi meer licht
en keken we samen naar de liefde
van de parels voor de bramen;
vertelde jij hoe mooi het was
onder een sluier stil te huilen
en hoe moeilijk het zal zijn
om koud te liggen in een kist
met dan geen traan die
koud en klein zal willen schuilen
en ik alleen – en eenzaam in de mist.

Gedicht

Uit het verre donker bonken
voorbij de lijn des horizons
met de flauwe flits van vonken
streept een spoor van doodwagons.

Vol verstorven ademhalen
losgetrokken van een droom
lig jij zachtjes na te hijgen
naast me in het zomers loom.

Iets kruipt donker naar de kruinen
waaraan het zonnewarm nog tijdloos hangt
een oogwenk voor de aanzet der bazuinen
is daar jouw mond die klein een kus verlangt.

Scheurend spat – te snel om te ontwijken
onze vree in stalen splinters uit elkaar
te laat – de tuin belegd met louter lijken
en te weining waren wij de tijd gewaar.

Gedicht

Die zomerochtend kwamen de stalen raven,
om welk boek en vanwaar wist geen van ons.
Het oude bos befluisterde hun zachte vlucht
de bladeren bogen voor de matte vleugels
en glinstersnavels sneden hoeken uit de lucht.

Op de droge warme straat speelde een kind,
het was stil, onbemind en had toch een lach
– het danste klein van droom naar droom.
De raven slepen loom hun snavels scherp
aan het takkensteen van de dorpspleinboom.

Met zijn groei begon het kind te klimmen
eerst op de knoesten van een verleden tijd,
later aan de hemelarmen van het ravenvolk.
Maar toen hij ook de klauwen aan kon raken,
dreigden scherpe halen van zo’n snaveldolk.

Het kind werd groots, een sterke man.
Geen raaf ging dood, geen een verdween.
Ze waren daar, stil elk uur en jaar na jaar
de adem van de boom, van het avondrood.
Nooit een van ons voorzag het staalgevaar.

Totdat de man zijn eigen kind – met kleine lach
liet dansen op de warme straat. En schreeuwde
naar het woest dat van de boom losschoot,
wat het staal niet stopte dat voluit raken moest –
en dat het kind kapotsloeg tot een gore dood.

Gelijk een diepe zucht zijn ze weggevlogen,
niemand weet waarheen. Een vlucht van
lang nog staal-geglinster in de middagzon
ver van aller angst, zijn bloed – en de vragen
waarom het onheil hier en zo bij ons begon.

Gedicht (Barçelona)

Vallend blad – op een zomerdag!
Laf gestuurde bestelbusdood
nog sneller dan die kinderlach
kleurt tegels langzaam rood.

Hier het geloof, daar hun haat.
Och heer, ze zijn intens verdoofd
door u-misbruikte leugenpraat
die elk van hen het paradijs belooft.

De kruin in bloei, de stam in bloed
een roos zegt zacht hier was geweld.
Een hand wil steun, er trilt een voet
in het stemmenstil dat triest vertelt.

Dan zingt het sterk en waardig rond
– de mens maakt eer en moed gewaar
met handgeklap en dappere mond –
wijk nimmer voor een geloofsbarbaar.

Gedicht

Mismoedig leven met rondom
het eeuwenwoud in duisternis
van het wolvenkind jankt
de wanhoop door een boom
die voluit valt uit ouderdom,
maar toch de vraag verzwijgt
noch beantwoordt – waarom
leed altijd komt en vaker niet
vuil grijnzend door het front
maar sluipend stil achterom.

Het is wel kracht die doet leven
voor een zucht; ons blinddoekt
met een tel van geluk, voor even;
maar snel in angst de lijnen krast
rond die droom van waardigheid –
er is geen troost voor het noodlot
van het zware zijn der eindigheid.

Gedicht

als helaas niet jij maar ik nou
een heel klein beetje dna van jou
in een proper glazen potje stop
het eigen tinnen dekseltje erop
met als etiket m’n lieve vrouw;
daarmee naar het strand toe rij
het potje rondom dus van opzij
van fijne stukjes hout voorzie
het geheel dan loslaat in het vlie
en ’t zeewaarts gaat op het getij;

ik traagjes terugfiets op de dijk
met misschien een geruste kijk
op jouw allerlaatste ademtocht
die vannacht nog zweven mocht –
jij was net weg naar het zielenrijk;
dan pluk ik een roos, een tere lis
een lied zwelt aan vanuit ’t gemis
je was zo groots, je oogt zo mooi
de bloemen schik ik thuis tot tooi
en ik besef dat er geen jij meer is.

Gedicht

Wie koestert toch
de goede bedoeling
van de dode weldoener?

Wie voelt het weer
in de warme zomernacht
van 20 juli 1951, vrijdag?

Wie zet alsnog de toon
voor de dragende echo
van de stille stemmer?

Wie onttrekt de beleving
aan het vanzelfsprekende
vergeten door het zwijgen?

En wie begrijpt het niet
maar is de tijdelijke
sleutel naar de eeuwigheid?

Gedicht

Geen band, totaal geen signaal
en toch plots contact met God
via de glimhoofd-dominee
die door een zuiver afstandsschot
uit een duivelsdrone vermoord
kalmpjes tegen het asfalt glee –
zwijgend deinsde Binky terug.

Er was geen allerlaatste woord
ofschoon – het nieuws ging snel
die dode is Gods tweede zoon
nu zeer deftig – hij lijkt tevree
daar rustig liggend op zijn rug
zijn ronde hoofd – zo heel gewoon,
maar goed kijkend wist je het wel.

Het was een laffe levensroof
om gebeden die verraden bleken.
Binky’s blaf begon met dunne toon
verbaasd om het dode levensteken.
Weinig nader is mij nu het geloof,
wel soms signaal; een enkele maal
ga ik bij hem langs – hallo Vader.

Gedicht

Loop toch lichtvoetig, lul!
schreeuwde de sergeant
stop ’t stomme stampen!
Hij was bepaald geen bul
doch kende alle rampen – en wist
het zit niet in de veldslag
maar vuil en vol pijn
is de tocht weer terug
naar ’t einde van de vechtdag.
Geen bus die roestig rijdt,
in elke berm een mijn
en ’n koepaard met drie benen
kraaien op de korstbedekte rug
twee achterhoeven kapotgepist
kan je beter laten staan.

Als een slang die ter prooi glijdt
ziet hij z’n mannen verdergaan
langs de kooi van de ballerina
met tot stompen afgeslagen benen
die voor de elite van Palestina
hoereerde in het wilde Wenen
en nu in ’t licht van de spots
wuivend naar de mannen lacht.
Die voelen daardoor toch weer trots
en kracht om verder te marcheren
genoeg om nog één tel soldaat te zijn
tot de danseressenhand koel beslist
het hele peleton laat exploderen
door iets veel sterkers dan een mijn
en elke voet allicht is weggewist.