
25 – 31 januari: Week van de Poëzie.

25 – 31 januari: Week van de Poëzie.
‘Je vergiste je. Het zal altijd blijven.
Zelfs als we niets meer zijn.’

Het is over, het is uit,
het is oud, de kleur trok weg
net zoals de jeugd het dorp verliet
…
verleden tijd, het ritselt in de wind
het wacht een hand of stok
die trekt en zwiept en breekt
…
maar stop: bekijk het anders,
zie en hoor het verhaal
dat wordt verteld, de wijsheid
hier als het avondstil getoond
over de noodzaak van
het eeuwige en onbepaalde
voortbestaan.

Het boerenland vergeelt
de oude weg waait stof
zelfs als er niemand gaat
een man die op de snelweg speelt …

… het gras is dun en lauw
toch koeler dan een paardentong
de ekster schreeuwt en scheert zijn bocht
van het hout, naar hoog het avondblauw.



Ze wacht op de hei – op hem
de witte hand, de vorst al in de wei
of denkt ze aan warme wijn –
ze wacht op de kou, een ster
bladert stil nog door de mist
alles wordt nu snel gewist
maar niet haar zijn, als vrouw.

Het dode blad het zegt nog wat of eigenlijk niets ja, het is fraai en dood lawaai of stil en saai; het leven wacht nu nog als knop, als iets – het nieuwe bladerkoor maar ooit de zaag, een mond die zegt vandaag, een schaar met handgebaar knipt knap het fraaie lintje door.

Het is betrekkelijk dichtbij –
waar masten niet bepaald de horizon verfraaien
in op zee en dieren gewonnen wei
maar het levert pure wiekenstroom
uit zo goed als alle winden
en misschien ook wel die ene droom
(waarin de werkelijkheid zich kan bevinden)
van hen die begaafd zijn in met alles mee te waaien.

declamatie en tekst
