
Gedicht: Taal



Ze wacht op de hei – op hem
de witte hand, de vorst al in de wei
of denkt ze aan warme wijn –
ze wacht op de kou, een ster
bladert stil nog door de mist
alles wordt nu snel gewist
maar niet haar zijn, als vrouw.

Het dode blad het zegt nog wat of eigenlijk niets ja, het is fraai en dood lawaai of stil en saai; het leven wacht nu nog als knop, als iets – het nieuwe bladerkoor maar ooit de zaag, een mond die zegt vandaag, een schaar met handgebaar knipt knap het fraaie lintje door.

Het is betrekkelijk dichtbij –
waar masten niet bepaald de horizon verfraaien
in op zee en dieren gewonnen wei
maar het levert pure wiekenstroom
uit zo goed als alle winden
en misschien ook wel die ene droom
(waarin de werkelijkheid zich kan bevinden)
van hen die begaafd zijn in met alles mee te waaien.

declamatie en tekst




De tijd – altijd al vaag
een nooit gestorven vraag
over zijn niet zijn – de tijdloosheid
verborgen in de grijze lucht
wordt eeuwig nagejaagd
maar eindt nergens nooit meer
dan in betraande tijdelijkheid
en daarna toch de werkelijkheid
van zucht en snik – de nieuwe tik
die men nimmer kennen zal.

De bank die als de zon de avond brengt
een peinzende passant zal dragen
die zich mogelijk af gaat vragen
welke heugenis zo aan de engrand staat;
die wellicht kijken zal naar hun geleefde tijd
de namen langs zich heen laat gaan
maar geraakt is door deez’ genegenheid
en geroerd en in gedachten verdergaat
– de bank, de eeuwigheid daar achterlaat.

Atelierroute Blaricum 2021 is op 28 en 29 augustus.
Gedichtenbundels (waaronder het geniale Kathedralisme), romans (Koor der oneindigheid).
