God lachte en dacht
niks geen gerib
nog voor de nacht
stuur ik een godin naar
hem daar benee
maar door een astrale slip
was ’t slechts wat engelenhaar
dat wolkerig aardwaarts glee.

God lachte en dacht
niks geen gerib
nog voor de nacht
stuur ik een godin naar
hem daar benee
maar door een astrale slip
was ’t slechts wat engelenhaar
dat wolkerig aardwaarts glee.

De laatste hond van Roberto
bedreven jager op fazanten
is vanochtend uitgetreden –
door de bus die ruim vertraagd
te snel het dorp was ingereden.
De chauffeur is doodgeslagen
zijn bus brandend het ravijn
voorbij de uitgeputte kolenmijn
ingeduwd. De hond weggedragen.
De klok zuchtte sombere uren,
dof – als bloed dat traag nog drupt,
of een oude mond die vaag
iets zegt op wat is gevraagd.
Roberto stond daar in zijn treurig lot
op het plein – alleen, want iedereen
verschool zich voor zijn geweer
waarvan de loop niet doelloos zwaaide
maar in zijn handen het verweer
voor het gebeurde schreef, afgesloten
met een enkel schot.
De klok zwijgt. Terug van het graf
wordt het lijk van de rijder zonder eer
afgevoerd, net zoals de doders en
de duwers – op weg naar hun straf.
Het plein is aangeveegd, met stoom
en bleek verdween het bloed.
De klok slaat zes, die avond is er nog
een keer fazant, de dorpelingendroom
van geluk en wijn en geen verlangen.
Geen hond die blaft.
Geen blad dat naar de nacht toe valt.
Als de vinger van het verlichte huis
gelijk een zomerdag het duin bestrijkt
staat zij doodstil in het schelpengruis
verblind door wat haar ongezien bereikt.
Hij is de nacht die zwijgend draait
om de aarde als een zilveren god
die in een flits zijn sterren zaait
zij gilt maar hoort niet eens het schot.
De dunne wind schuift schraal naar noord
een meeuw doorstreept de lege lucht
ziet scherp het dode van de andere soort
en vleugelt verder op zijn eigen vlucht.
Van de ware woorden
gezegd of nimmer nog bedacht
en ook de andere
bedoeld om te ontroeren
werden klank en inhoud
zomaar stopgezet
om ze in het zwart van de nacht
zwijgend af te voeren
en met leugens te vermoorden.
Maar zelfs toen hun as
verwoei naar de lege kilte
– weg van het kwade denken –
waar eeuwen eerst het niets
en langer nog de stilte
van de zinnenloze vlakte was,
zong een merel een zacht gebed
en leek de vijand uit te dagen
alles voor altijd te laten zwijgen
– wetende dat het onmogelijk is
om al dat zingt en denkt en kout
dood en nooit bestaand te krijgen.
Immers elk woord,
zacht gezegd, geschreven
gezongen of misschien
gehoord nog nooit,
heeft een langer leven
dan welk gedroomd rijk ooit
zijn heerser heeft gegeven.
De dood ziet zwijgend hoe zij
een kaart keert en kijkt
naar het beeld dat gelijkt
het lachje in haar hart – van mij.
Lijn tien bellend hoort ze niet
als een traan trekt aan de kraaienpoot
en het tafelkleed vlamt in ’t avondrood.
Er kruipt wat leeggehuild verdriet.
Daar het raam, een arm die wenkt
dat ze nu maar mee moet komen,
stoppen met wat het leed verlengt.
Een vlaag breekt door de bomen
als zij zichzelf de vrijheid schenkt
verlost van God en valse dromen.
In een gat vol toonloos stil
zilver licht in mijn geest
omzoomd door roep en gil,
eisen, geilheid, vlak verdriet
van mijzelf en anderen
– ik haat ze noch ik ken ze niet,
maar menig mens is beest –
staat groots en sterk
elke tel altijd als roos en
stilzwijgend roerloos imposant
de waarheid – machtiger dan
elke koning, krant of kerk
of totalitair avondland.
In jouw eigen geest
met geheel ander werk
en verlangen en venijn
zweeft ook stil en zilver
licht rond de waarheid.
Niet die uit jouw zielepijn,
maar dé waarheid –
dezelfde als die in mij.
Elk leven gaat maar
om één besluit:
doof het zilver licht –
hoe ijdel kan men zijn
of omarm in eeuwigheid
de waarheid van de waarheid
stil, of open luid –
hoe dan ook.
Kan jij het aan te weten dat
met het stil der gedachtenstem
die overal zilver lichtend
zweeft en iets oneindigs geeft
aan haar en zwart, Zafir en Chem
jij mij in je draagt
en ik jou in mij
– een ieder altijd in allen?
Diep daar in ’t verkilde avondwoud
waar licht slechts stervend zweeft
gaat zonder kracht een man – zo oud
met op zijn rug een vracht vol dood.
Verzwakt de zon tot duisterkoud
dan sluipt de walg dat hij nog leeft
door het zwijgend zand vol goud
naar de naderende dodenschoot.
Zijn vraag was steeds een leven oud –
in het laatste dat het zwart hem geeft,
klinkt: ‘u die allang mijn adem houdt,
waarom gaf u zich niet eerder bloot?’

Nee.

Misschien heeft hij het huis gezegd
dat hij nooit meer terug zou keren,
zijn bestaan niet verder moest onteren
verdoemd was hij tot een vuil gevecht.
Mogelijk heeft hij uren lopen huilen
zacht, zodat geen snik ’t huis ontschoot.
De merel die gans de dag concerten floot
moest niet zwijgen op zijn tree van twijgen.
Hopelijk heeft het huis zijn angst verzacht
en was het verdriet een iets gestold
toen – hij wist heel goed wat hij deed,
naast de deur haar gif naar binnen gleed.
Waarschijnlijk heeft de dood veel pijn gedaan
bevreesd, met kramp, wanhopigheid;
maar alles moet hem liever zijn geweest
dan te creperen als des vijands onderdaan.
Zeker triest te zien dat waar hij had gehoopt
op eeuwigheid vol vrede en tevredenheid –
in een dag dat huis van hem is weggesloopt.
Zo liefdevol de hond die kwispelt,
maar met de staart van grootmama
haar mond beroert tot dentaal drama
waardoor zij direct meer lispelt.
Zo zelfs dat het hoorbaar ritselt.
Vooral bij ’t eten van tomatensla
en zeker met wat harde koek als na
wordt er vaak een heel gebit gewisseld.
De hondenstaart is knap gedecoupeerd;
het zwiepen liep volledig uit de klauwen
en ook oma is zeer groots geopereerd
na advies Koni-kaken in te bouwen –
zodat het bij ’t eten nu veel beter veert
en zij voedsel binnensmonds kan kauwen.
De zus van de mus
kijkt de kat
uit de boom;
dan – zodat de kat,
zo dik, zo sloom
het niet ziet, gauw –
trekt ze de lus
van vinkentouw.
Het is toch niet,
denkt de kat,
dat alles rondjes vliegt
en mij schotels baart?
Maar ’t kattenkopje liegt:
ze hangt heel zat
draaiend aan haar staart
in de lus van de zus
van dus díe mus.
Als kille mist aan kale bomen
– blad verlammend weggebrand
door dat wat wel moest komen –
vrat jouw verraad aan elke hand.
Ooit wenste licht ons trots te tonen
welk idee bestond voor jou en mij
in tijd en taal en groots geluk te wonen
een alfabet in lief gezet – zo vrij.
Achter jouw ogen wereldmooi
hing, eerst smal en stil, het grauw
van de wolk in ongekende kooi
die door gif verwerd tot klauw,
en haat lostrok uit de plooi
waar ons begin nog lag in morgendauw.
De gespierde mannen van de lange slag
zijn afgetraind maar ook behoorlijk ontevreden
want steeds verder lijkt die hemelse dag
waarop ze kunnen glijden langs hun elftal steden
altijd steekt de duim afwijzend naar benee
als wordt gezegd: pak toch kano, skate of fiets
ja, zelfs afzien in de diepvrieswind der Weissensee
vinden de langslagmannen in feite helemaal niets
en over de Zweedse prof die heel bedaard
bedacht import-ijsformaties los te laten
in de meren, sloten en op de Bonkervaart
waren er maar weinigen om door te praten
natuurlijk zijn de mannen bij de kunstijsbanen
op de bevroren velden met een natuurmarathon
maar voor de kromgerugde stalen-buistitanen
geldt alleen het alles bevrijdende it giet on!
misschien moet men zich nu toch maar ‘s
richten op de schepping van een kunstijssoort
waarop men, áls ’t dan een beetje winter is,
toch de Tocht der Tochten rijdt – zoals het hoort
immers, als we de aarde steevast kunnen verhitten
moet er de andere kant op toch ook een route zijn
een week per jaar het land van bibbergebitten
goed voor ’t milieu én een prachtig schaatsfestijn
zaaks dus denkkracht te activeren
met verkiezingen in het verschiet
is ‘t wijs Frysk kunstijs te agenderen
want iedereen is klaar met ‘het gaat niet’.
