Kok bij Bistrôt Chapeau.

Heeft ook een vraag
Kok bij Bistrôt Chapeau.

Kok bij Bistrôt Chapeau.


Hierover gaat het – en …
… daar bij het kruispunt kom je te werken. Tof toch?!




… van de Meelmuis. Geraldine Stappenbelt fotografeerde zaterdag jl. Lambert met een ‘vroege’. In totaal zijn er 68 dames in verwachting. Waarschijnlijk levert dat tussen nu en eind maart zo’n 100 lammeren op. Laatste foto: het lijkt erop dat het lam rechts niet door moeder is geaccepteerd. De natuur kan hard zijn, maar ook eerlijk.






Sleemuts.
Hoedmuts.
Nietfietsmuts.

Grimmig staan tientallen grauwvachters in de sneeuw
een zachte maar dodelijke ring rondom de dorpswallen.
Niets beweegt, alleen wat rook die naar de zon toe kringt.
Ze zien de ogen niet, de matzwarte lopen evenmin
als bevroren aan ijzers en kozijnen op hun schedels gericht,
de ademsporen niet die dampig bij een balk verdwijnen.
Er is zacht gegrom dat ze zelf nauwelijks horen, niet onderdrukken
een spier die soms wat trilt en poot of lip doet beven voelen ze niet
hun staarten half krom en naar beneden, soms een korte zwiep.
De sneeuwvlok die het dansend schitterend redt tot het gat waarlangs
de koude lucht naar een gespannen keel sluipt verdwijnt met een
ademstoot en dan een dunne zucht - de zon begint zich af te wenden.
Zij met de dodelijke vermoeidheid in de stekende ogen de droge monden,
kapotte lippen en die dorst, die dorst - zij weten wat er gaat gebeuren,
het was al vaker zo. Ze moeten wel, of het is nooit meer. Dan sterven.
De dreiging die altijd om hen heen leeft, elk doen volgt elke fout afstraft,
in het zwoel van de lange dagen vaak op afstand blijft, maar niet als de kou
zo zwaar zo duurt. Zo bedriegelijk wit, een mantel waaruit de dood ontploft.
Opeens, even onzichtbaar, barst het los. Grauwend hysterisch jankend
en met huilend geblaf in razernij rennen ze het dorp in. Alles is prooi.
Ze weten wel wat, ze weten niet waar, niet hoe te grijpen met de kaken
die zo gretig warm en bloederig vlees van botten willen scheuren. Maar kansloos.
Uit de lopen flitsen gele vlammen witte strepen felle knallen scheuren driften
los van het bestaan. Overal is rook, gekrijs - en de dood die kraakt en spat.
Voorbij. Stilte. Doodse stilte. Het wachten achter de lopen wordt gespleten
door een laatste schot, een slepend lijf slaat bloedspuitend tegen de sneeuw,
in een stuiptrekking. Dan een korte schreeuw uit een droge keel. Antwoorden.
Overal dampende kadavers, dode ogen in die vaalgrijze, soms witte vachten
en daar tegenaan rode vlekken, stront, het geel van verzuurde pis. Dorst.
Kachels worden opgepookt, wapens weggezet, niemand te zien. Ze overleven.
De avond valt met wind en scherpe sneeuw. Snel is wat was en het zware werk
van de volgende dag toegedekt. Alle schoorstenen roken nu, zwakke geluiden
door handen die wel moeten, daar een lichtstreep langs dat verrotte luik.
De nacht komt met een vuile storm en nog veel meer sneeuw. Wit. Dood.
Wat gebeurd is, wordt vervloekt, weggetrapt. De kou, de sneeuw en de storm
worden vervloekt. Het leven is vervloekt. Maar ze moeten wel. Steeds weer.
Het gaat om het zomerzit21-virus, dat met name in het midden in dit jaar actief zal zijn, en dan vooral in tuinen, parken en op terrassen. Het vaccin bestaat uit een mix van lege Chablisflessen en muggen.
