Onderzoeksvraag 4: Op welk moment en op welke wijze heeft BVV’31 de gemeente geïnformeerd over de noodzaak van de vervanging van de kunstgrasvelden?
De beelden over wanneer de gemeente voor het eerst op de hoogte was van de noodzaak tot vervanging van het kunstgrasveld lopen uiteen. Daarom kan de rekenkamer geen oordeel vellen over de tijdigheid van de informatieverstrekking door BVV’31. Wel kan worden vastgesteld dat BVV’31 de gemeente geen inhoudelijk, financieel en juridisch onderbouwd conceptplan heeft voorgelegd.
Door te starten met de werkzaamheden voordat de gemeenteraad had kunnen besluiten, heeft BVV’31 de gemeente bovendien voor een voldongen feit gesteld: het gemeentelijk kunstgrasveld en natuurveld zijn door BVV’31 zonder expliciete toestemming van de gemeente vernietigd en vervangen door twee kunstgrasvelden.
Onderzoeksvraag 5: Hoe is het besluitvormingsproces bij de gemeente voor de aanleg van de kunstgras voetbalvelden van BVV’31 feitelijk verlopen?
Gelet op de omvang van de problematiek en op het hierboven samengevatte feitelijke verloop van het besluitvormingsproces, concludeert de rekenkamer dat er geen sprake is geweest van een regulier besluitvormingsproces, wat gegeven de situatie wel verwacht had mogen worden. Het gebruik van een motie VADO in plaats van een gedegen onderbouwd raadsvoorstel en het nemen van een besluit nadat de betreffende werkzaamheden al hebben plaatsgevonden, kan niet worden beschouwd als regulier besluitvormingsproces.
Onderzoeksvraag 6: Hoe heeft het college gehandeld in het besluitvormingsproces?
Het college heeft samen met de coalitie de motie VADO voorbereid en daarbij nagelaten om de raad te waarschuwen dat een dergelijke motie een onderzoek naar alternatieven zou beperken. Ook is het college niet open geweest naar de raad over mogelijke juridische consequenties van de voorgestelde constructie. Bovendien heeft het college nagelaten te inventariseren wat de mogelijke risico’s, alternatieven en andere belanghebbenden bij deze constructie zijn. Dit leidt tot de conclusies dat het college geen invulling heeft gegeven aan de actieve informatieplicht.
Onderzoeksvraag 7: Hoe heeft de raad gehandeld in het besluitvormingsproces?
De raad heeft invulling gegeven aan zijn kaderstellende rol door met de motie VADO specifieke kaders aan het college mee te geven en zijn controlerende rol ingevuld met de informatie die hij van het college vanwege de casus heeft gekregen. De rekenkamer is echter kritisch over het gebruik van een motie VADO op deze wijze, omdat de motie in feite de weg versperde om alternatieven te onderzoeken en risico’s in kaart te brengen, voordat de raad een definitief raadsbesluit zou nemen.
Onderzoeksvraag 8: In hoeverre hebben college en raad in dit besluitvormingstraject conform het accomodatiebeleid of de onderhouds- en vervangingsafspraken gehandeld?
De gemeente heeft geen accomodatiebeleid en de gemeente heeft daar dan ook niet naar kunnen handelen. Hoewel in 2013 wel onderhouds- en vervangingsafspraken tussen gemeente en BVV’31 zijn gemaakt, leidde de ‘packagedeal’ tussen het college en BVV’31 tot gewijzigde afspraken, het resultaat waarvan (de subsidie) uiteindelijk door de gemeenteraad is bekrachtigd.