Gisterenavond hield historicus en journalist Geerten Waling in het Kerkcafé van de Dorpskerk de voordracht Het publieke debat in gevaar. Als opwarmertjes bood spreker deze opvattingen aan: ‘Democratie is niet voor bange mensen; het met elkaar oneens zijn is erg democratie; de democratie dient ook de vrijheid van de ongewenste meningen te beschermen; lokale democratie is goed, maar in gemeenteraden staat die steeds meer op de tocht’.
De kern van Walings voordracht was dat het er met het publieke debat niet goed voor staat. Daarbij liet hij drie P’s de revue passeren, namelijk die van Protest, Pers en Politiek.

Protest is de afgelopen jaren sterk gegroeid, en dan met name de extremistische en agressieve vormen ervan. Waarbij het niet zelden ten koste gaat van andere democratische waarden. Voorbeelden: Extinction Rebellion op de snelwegen en hun dreiging richting het Rijksmuseum, waardoor dat heeft besloten niet aan de Museumnacht deel te nemen. En ook de manier waarop volgens Waling de protesten aangaande de Palestijnse zaak en de oorlog in Gaza worden uitgevoerd. Waling sprak van intolerant en agressief activisme, het neigen naar chantage en het overschrijden van de grenzen van protestrecht en demonstratievrijheid. Ook bij de protesten op en van de universiteiten zet Waling, mede vanwege de achterliggende ideeën van gendergelijkheid, dekolonisatie en ‘witte mannen’, grote vraagtekens. ‘Onvrije gedachten winnen stilaan terrein.’ Volgens Waling gaan genoemde ontwikkelingen in de protesten (al te vaak toegelaten door het bevoegd gezag) ten koste van het publieke debat.
Dat geldt volgens hem ook voor de wijze waarop de pers vandaag de dag haar werk doet. Er wordt veel ruimte gegeven aan de hoogopgeleide elite om zich af te zetten tegen de lagere klassen; de pers is in toenemende mate niet objectief. niet neutraal, heeft niet (meer) de kwaliteit die zij behoort te hebben. Het gebruik van gekleurde feiten en het niet checken van berichten zijn veelvoorkomend. Voor velen is de pers dan ook als betrouwbare hulptroep van haar voetstuk gevallen, hetgeen een verarming is van het publieke debat. En ook in de diverse praatprogramma’s is het journalistieke gehalte (en bijhorende stijl en beschaving) dalende. Johan Derksen en Sander Schimmelpennick beschouwt Waling hiervan als betreurenswaardig symptomen. En hoewel de burgerjournalistiek de afgelopen jaren een hoge vlucht heeft genomen en zinvol is, treden (ook) daar steeds meer verschijnselen op van ‘echokamers, eigen bubbels, loopgravenvisies’.
Ook het politieke bedrijf (ooit toch de kraamkamer dan wel het heilige der heilige van het publieke debat) is in deze niet zonder zonden. Waling meent dat dit met name komt doordat de gevestigde c.q. establishmentpolitiek steeds technocratischer en visielozer wordt, terwijl daar tegenover in toenemende mate diverse vormen van populisme staan. Beide vormen van politiek leveren volgens Waling niet of maar nauwelijks bijdragen aan een publiek debat. Ze houden zich vooral bezig met (f)ophef, mediagenieke presentaties en Haagse soaps. In niet geringe mate mogelijk gemaakt door een volgzame parlementaire pers die niet op zoek is naar inhoud, maar wel naar scoops en kijkcijfers.
Aanvullend gaf Waling aan dat het publieke debat ook onder druk staat door vormen van individuele zelfcensuur, niet zelden als een reactie op intimidaties en bedreigingen. Voorts is er een gemis aan zuurstof in het publieke debat, voorheen geleverd door onder anderen Theo van Gogh, Willem Oltmans en Pim Fortuyn. En ten derde bespeurt Waling een afnememde bereidheid om ‘debat-moeite’ te willen nemen.
De afsluiting van de lezing was licht positief: spreker achtte het mogelijk dat de huidige situatie van protest-extremisme, volgzame pers en wegduikende politiek wordt gevolgd door een doorbreken van bubbels en keurslijfen en het sterker worden van het geluid van het genuanceerde midden. En ook met meer digitale hygiëne (waakzaam zijn voor algoritmen-sturing en censuur) kunnen de bedreigingen voor het publieke debat worden teruggedrongen.
///
Vind-ik-leuk Aan het laden...