‘Die kleur ook, hè – verde’

Alfa Romeo 1750 GTV, uit 1968. En verder: ‘Acht jaar in bezit. Wel ‘het nodige’ aan moeten (laten) doen. Het begint met een roestplekje, en dan ook de voortrein, motor gereviseerd, en zo heel veel meer. Het leuke is ook dat je van heel veel dingen gaat leren hoe ze werken. Die ouderwetse techniek, hè – daar zie je veel meer van dan van die hedendaagse elektronica. En nou gaan we naar de poetser.’
alfaverde - 1

Gesprek tussen Klein-Jan en moeder

Wat is dat, moeder?
Wat, Klein-Jan, wat bedoel je?
Daarboven ons, moeder.
Oh. Dat is des Heeren frisse blauwe lucht, Klein-Jan.
Nee, moeder. Dat brommende wit, moeder – wat is dat?
Oh dat, Klein-Jan. Dat is het heden dat de tijd uitvliegt.
Met rechte wolken, moeder?
Nee, Klein-Jan, met een vliegmachien.
Een wat, moeder?
Een vliegmachien, Klein-Jan. Kom, we gaan.
Ja, moeder.

Cola-tric

Oh, dus hij rijdt op Coca-Cola?
‘Haha, nee op elektriciteit.’
Oh … – dat is niet superduidelijk. Dacht dat het een fles was,
maar het is dus een batterij … ’t Spoort niet echt met de huisstijl.

‘Ben ik mee eens. Maar het zal op termijn wel duidelijk maken

waar Coca-Cola met z’n wagenpark van zo’n 800 eenheden
mee bezig is.’
En dat is?
‘Duurzaamheid, minder uitstoot, bijdragen aan het milieu.’
En zo’n Aziaat op elektriek, rijdt dat een beetje?
‘Van 0 tot 100 in zes seconden …’
Zo hé … net een cola-tic.
‘Ja, we zijn goed bezig.’

‘Maar gebruikt u ‘m ook als zodanig?’

1. Er is een inrit/uitrit – heel erg zichtbaar.
2. Die is aan beide zijden gemarkeerd met roodwitte pilonnen (werk in uitvoering).
3. De infrastructuur van stoep en straat geeft aan dat er een inrit/uitrit is.
4. Met twee wielen op de stoep parkeren is verboden.

En dan vraagt de bestuurder van deze auto, als hij door de inrit-eigenaar op zijn parkeergedrag wordt aangesproken: ‘Ja, ik heb wel gezien dat er een inrit is. Maar gebruikt u ‘m ook als zodanig?’

Kwelling voetbalplaatjes

Dame bij kassa is bijna klaar met afrekenen.
Cassière vraagt: ‘Wilt u voetbalplaatjes?’
Dame: ‘Nee, dank u.’ Kijkt achter zich – daar staat Oog.
Oog denkt ‘niet doen, ik heb zo de pest aan die vraag, níet doen!’
Dame: ‘Misschien wilt u ze?’
Oog (zucht …, oké, dan maar mild reageren hè, beschaafde humor maar toch duidelijk):
‘Nee dank u, ik verzamel alleen plaatjes van vrouwenhandbalsters.’
Dame: ‘Oh, maar deze zijn misschien leuk voor uw kleinkinderen?’
Oog: … (glop, 0-1 …).